verhalen

What no wife of a writer can ever understand
is that a writer is working
when he's staring out of the window.

(Burton Rascoe)
Stem uit het verleden

Ondanks de paraplu stap ik drijfnat en druipend naar binnen. Tegen deze herfstbuien is geen kruid gewassen. Ik gooi de paraplu in een hoek, stap voorzichtig over de post op de mat en pel mezelf uit de kletsnatte jas, die aan de huid van mijn armen kleeft. Ik probeer zo min mogelijk te druppelen op de post, die ik mee naar binnen neem en alvast op tafel leg. Eerst even een warme douche.

Beneden op de bank met een kopje thee begin ik me weer een beetje mens te voelen. Automatisch pak ik de post. Er zit een A4 envelop tussen met een begeleidende brief:

Geachte heer/mevrouw,
«ijgaand treft u een brief aan die tot onze spijt 32 jaar in ons onderzoeksdepot is blijven liggen naar aanleiding van een vliegtuigramp in 1981. De postzak is onlangs bij toeval ontdekt. Na enig zorgvuldig speurwerk hebben wij uw huidige postadres kunnen achterhalen. Wij bieden u hierbij onze oprechte excuses aan voor de vertraging in de bezorging.

Ik bekijk de brief, gericht aan Pien van der Meer en geadresseerd aan het adres waar mijn ouders destijds woonden. De brief is afkomstig uit Canada. Het handschrift is me niet bekend. Ik draai de brief om en om in mijn handen. Een brief die ik 32 jaar geleden had moeten ontvangen. Wat zou daar instaan?
Snel pak ik mijn leesbril en ga zitten.

4 oktober 1985

Lieve Pien,

Excuus voor de misschien iets te familiaire aanhef. Lang heb ik geaarzeld, maar geen enkele opening voelt goed, dus heb ik maar besloten voor de intro die me het meest na aan het hart ligt. Het is 'lieve Pien' geworden. Ik hoop dat je geen bezwaar hebt.

Het heeft ook een tijd geduurd voor ik je had gevonden, maar ik ben blij dat het is gelukt. Al die verloren jaren, je moet nu twintig zijn, heb ik aan je gedacht en over je gedroomd. Een naam had ik niet, maar in gedachten noemde ik je Charlotte, de naam die ik je zelf zou hebben gegeven. Jouw ouders hebben je Pien genoemd, ook een lieve naam.

Ik realiseer me dat ik zo opgewonden ben dat ik nu daadwerkelijk deze brief schrijf, dat het hier en daar wat chaotisch kan overkomen. Vergeef me. Ik zal proberen mijn gedachten te ordenen en bij het begin beginnen.

Toen ik Paul leerde kennen, was ik jong en dwaas en vooral tot over mijn oren verliefd. Niet verrassend, want Paul was een vlotte charmeur en met zijn stralende lach en innemende persoonlijkheid had hij mijn hart in mum van tijd veroverd. Fluitje van een cent voor hem. Dat jaar deed ik eindexamen, maar Paul wist mijn hoofd zodanig op hol te brengen, dat ik amper mijn koppie bij school kon houden. Die opleiding leek opeens zo saai. Paul was veel belangrijker voor mij, dus ik leefde van ontmoeting tot ontmoeting, alles in het diepste geheim uiteraard. Tussen de afspraakjes door was er nog genoeg tijd om mijn schoolwerk te verwaarlozen.

Zoals je misschien wel ziet aankomen: het ondenkbare gebeurde; ik werd zwanger. In die tijd was dat een absolute schande, vooral in ons dorp. Toen leerde ik Paul pas echt kennen. Om een lang verhaal kort te maken: ik stond er helemaal alleen voor. Mijn ouders werden er niet vrolijk van en toen mijn buik zichtbaar begon te worden, stuurden ze me naar een klooster tot het kind geboren werd. Dat kind, je hebt het waarschijnlijk al geraden, dat was jij. De bevalling was een slachting, waardoor ik weken nodig had om te herstellen. Direct na de bevalling was jij al bij me weggehaald. Ik heb je nooit vastgehouden, naar je kunnen kijken of je een kus kunnen geven voordat je de wijde wereld in ging, iets wat ik tot op de dag van vandaag betreur.

In het nieuwe schooljaar keerde ik terug naar school om eindexamen te doen. Niemand vertelde waar jij gebleven was, waarschijnlijk omdat ze dat beter vonden voor mij. Er werd sowieso niet meer over gerept, alsof het nooit gebeurd was. Ik had mijn lesje geleerd en studeerde dat de stukken eraf vlogen. Ik moest en zou dat diploma halen, zodat ik zo snel mogelijk het huis uit kon . Mijn ouders nam ik het enorm kwalijk, dat ze niet voor een oplossing hadden gekozen, waarbij ik je bij me had kunnen houden. Het respect van buren, familie en vrienden legde kennelijk meer gewicht in de schaal dan het welzijn en geluk van hun enige kind.

Er ging geen dag voorbij zonder dat ik aan je dacht, Charlotte. In gedachten wiegde ik je in slaap, keek ik vol verwondering naar je slapende gezichtje en zag ik hoe gretig je de flesjes melk naar binnen slurpte. Je was een wolk van een baby, lachte je tandeloze bekkie bloot naar iedereen die maar naar je keek. Vele glimlachjes en knipoogjes vielen jou ten deel. Elke avond legde ik je voorzichtig in je ledikantje, vertelde hoeveel ik van je hield en bezegelde de dag met een kus voor het slapen gaan.

Na mijn eindexamen wilde ik zoveel mogelijk afstand creëren tussen mijn ouders en mij en verdween naar Canada om te studeren. Daar heb ik een nieuw leven opgebouwd, ver van mijn verleden en dus ook ver van jou, helaas. Maar afstand of niet, onze rituelen bleven heilig. Toen je groter werd, las ik je verhaaltjes voor of verzon zelf iets. Het maakte jou niet uit; je vrat alles gulzig op. Elke verjaardag heb ik een taart gebakken, versierd met het juiste aantal kaarsjes en voor je gezongen. Dat moet je gevoeld hebben, Charlotte, of Pien. Toen je je zwemdiploma's haalde, klapte ik het hardst van allemaal, toen je je knietjes openhaalde heb ik er een kusje op gedaan en een grappige Disneypleister en bij elke sportwedstrijd zat ik je aan te moedigen. Onze vakanties waren heerlijk, samen lachen, alle ijssmaken van de ijssalon proberen en met z'n tweeën op pad. Tot diep in de nacht konden we met elkaar praten over van alles en nog wat. Weet je nog dat we een doosje Kleenex erdoor hebben gejaagd toen je voor het eerst met liefdesverdriet thuiskwam? Elke stap in jouw leven was ik in gedachten bij je. Natuurlijk realiseer ik me dat het valse herinneringen zijn, maar het was alles wat ik had. Dit leven met jou heb ik gekoesterd, het was wat me overeind hield in moeilijke tijden. Alleen op die manier kon ik de pijn van het gemis verdragen.

Ik laat de brief even zakken om mijn leesbril omhoog te duwen over mijn glibberige neus. Het kost me moeite om verder te lezen, want de letters zijn een wilde dans begonnen, waarbij ze in elkaar lijken over te lopen. Ongeduldig glijdt mijn mouw langs mijn ogen en ik slaak een zucht. Was het maar waar. Mijn adoptieouders waren lief, maar bleken tenslotte zelf kinderen te kunnen krijgen, dus ik ben opgegroeid met de zorg en verantwoordelijkheid voor twee broertjes en een zusje. De kloof tussen de eigen kinderen en mij heb ik beslist gevoeld, ingebeeld of niet. Ze bedoelden het goed, denk ik, maar de les van dankbaarheid was me al te nadrukkelijk ingepeperd. Ik knipper even en lees verder.

Ik werk nu al jaren met tienermeisjes die zwanger zijn geraakt. De wereld is inmiddels veranderd en het is niet meer zo'n taboe. De verwarring en de emotionele achtbaan is echter nog hetzelfde. Het geeft me veel voldoening om ze te begeleiden. In elk meisje, elk onzeker gezicht, herken ik iets van mezelf.

De grote liefde is aan mijn deur voorbijgegaan. Hoewel ik in mijn tijd wel een aantal kikkers heb gekust, is de prins op het witte paard voorbij gehobbeld. . Het geeft niet, mijn leven is vol en gelukkig. Ook de relatie met mijn ouders is door de tijd en afstand weer een stuk beter. Gelukkig maar! Slechts een verlangen bleef als een doorn in mijn zij steken . Hoewel ik het gevoel heb dat ik je al ken, wil ik je heel graag echt leren kennen. Daarom heb ik alle registers opengetrokken om je te vinden en tot mijn grote vreugde heb ik je gevonden.

Een vat vol tegenstrijdigheden ben ik. Deze brief schrijf ik met een constante glimlach op mijn gezicht, maar af en toe wordt het teveel en houd ik het niet droog. Regelmatig moet ik stoppen met schrijven, want ik wil geen vlekken maken op de brief. Ik ben zo gelukkig dat ik je heb gevonden en tegelijkertijd vrees ik jouw reactie. Hoewel ik er begrip voor zou hebben, zou een afwijzing behoorlijk aankomen.

Ik begrijp dat ik je overrompel en heb werkelijk geen idee hoe deze brief op jou overkomt. Misschien voel je je in de steek gelaten en heb je er helemaal geen behoefte aan om mij te leren kennen. Misschien wil je niks met mij te maken hebben. Alleen al het opschrijven van deze gedachte snijdt als een mes door mijn ziel, maar ik dwing mezelf rekening te houden met deze mogelijkheid. Hoewel ik steeds met je heb meegeleefd, besef ik drommels goed dat ik me geen enkele voorstelling kan maken van jouw leven. Heb je een fijne jeugd gehad? Ben je gelukkig? Er is zoveel dat ik je wil vragen. Is er wel plaats voor mij in jouw leven? Heb ik daar recht op? Het is mijn grootste wens om de rest van mijn leven samen met jou door te brengen, lief en leed te delen. Om die reden heb ik gesolliciteerd in Nederland. In januari kan ik beginnen bij een praktijk in de buurt van Hilversum en begin november ga ik een aantal woningen bezichtigen. Ik kom terug naar Nederland. Heel binnenkort.

Om je niet verder onder druk te zetten, heb ik het volgende plan. Ik stel voor om elkaar te ontmoeten op neutraal terrein. Het Hart van Hilversum aan het Kastanjeplantsoen zou heel geschikt zijn. In het laatste weekend van oktober zal ik daar vanaf 17.00u. 's middags op je wachten, twee dagen achtereen. Je kunt me herkennen aan het boek op tafel: Turks fruit. Als je niet komt opdagen, weet ik genoeg. Ik zal je dan niet meer lastig vallen. Tussen hoop en vrees verkeer ik en zal ik blijven tot ik je misschien in mijn armen mag sluiten.

Met heel mijn hart,

Je moeder
Netty Berk van Willingen



Mama! Verslagen laat ik de brief zakken en staar voor me uit, terwijl de tranen over mijn wangen stromen.

De zaterdag daarop stap ik op de fiets, een vrouw met een missie. Minuscule kans van slagen, maar niettemin een missie. Als ik het Hart van Hilversum binnenstap, begint mijn hart tegen wil en dank wild te bonzen. Hoewel het nog vroeg is, zitten er al mensen te eten. Snel glijden mijn ogen langs de tafeltjes. Bij het raam zit een grijze dame met een kort kapsel naar buiten te kijken. Ze is alleen. Hoopvol loop ik in haar richting, maar stop abrupt als een grijze man aanschuift aan haar tafeltje. Hij zegt iets tegen haar, waar zij om moet lachen, een aangename lach. Teleurgesteld draai ik me om.
'Kan ik u helpen?' Een serveerster is achter me aangelopen. 'Sorry, nee, dit is toch niet wat ik zoek.' Haastig en een beetje ongemakkelijk loop ik weer naar buiten. Op weg naar mijn fiets loop ik langs het raam, waar het oudere echtpaar zit. Nieuwsgierig werp ik een laatste blik naar binnen. Op tafel ligt een exemplaar van 'Turks fruit'.

De scheiding

'Er is geen wij,' zei hij. Zij zweeg, stak een sigaret op en staarde uit het raam naar de haveloze tuin. Een eenzame traan liep langs haar wang. Hij draaide zijn hoofd weg. 'Zou je niet buiten roken?' Ze verroerde geen vin.

Uren later, het liep al tegen vijven, kwam ze weer in beweging. De woonkamer was inmiddels gehuld in een dikke nevel. Het pakje sigaretten op tafel was leeg. 'We moeten het de kinderen vertellen.' Hij knikte.

Als ze uiteindelijk haar mond houdt, opent oudste direct het vragenvuur. De vragen regenen neer op de verontschuldigende hoofden van wat eens 'wij' was, maar nu in rap tempo uiteen aan het vallen in 'hij' en 'zij'. Jongste kruipt bij zijn moeder op schoot en nestelt zich tegen haar aan. Hij luistert zwijgend naar wat zijn ouders vertellen en naar de vragen van zijn grote broer. In stilte bewondert hij zijn grote broer. Middelste zit op een stoel, terwijl de tranen onophoudelijk over zijn wangen lopen. Verder zit hij onbeweeglijk als een pop met alleen een tranengordijn dat al snel de bovenkant van zijn T-shirt doorweekt. Als zijn vader naar hem toeloopt om een troostende arm om hem heen te slaan, schudt hij bruusk zijn schouder los, staat op en loopt de kamer uit. Snelle voetstappen op de trap, daarna boven een deur die dichtklapt. Stilte in huis, ook in de woonkamer. Het vragenvuur is verstomd en vader is gestopt met uitleggen wat hij zelf ook niet helemaal begrijpt. Veel vragen zijn onbeantwoord gebleven.
Moeder kijkt haar oudste aan met naar zij hoopt een geruststellende blik.
'Het komt goed. Echt!' Oudste knippert met zijn ogen en kijkt weg. Als hij haar weer aankijkt, vraagt hij: 'Wat eten we vanavond?'
Jongste richt zich op. 'Mag ik nu bij Suzanne gaan spelen?' Peilend kijkt zijn vader hem aan, knikt dan langzaam.
'Toe maar.' Het leven gaat door.

Ontmoeting met Antonie Kamerling
(Geschreven op 9 oktober 2010)

Donderdag was het nieuws op de radio. Antonie Kamerling was overleden. Zelfmoord. Een geweldige schok. 'Dit kan niet waar zijn. Niet Antonie Kamerling!'

Normaal ben ik niet zo'n mediavolger. Het wel en wee van bekende Nederlanders kan ik goed missen zonder iets te missen. Maar Antonie… da's een ander verhaal.

Onze ontmoeting was kort, een beeld bevroren in de tijd en voor altijd in mijn mentale fotoalbum. Een paar seconden, meer was niet nodig om mij te overtuigen dat hij een bijzonder mens was.

Ik weet het nog goed. Het was 3 juli 1998. In de buurt van het Vondelpark stak ik net de weg over toen hij langs kwam fietsen. Toen Antonie mij zag lopen, stopte hij, stapte pontificaal van zijn fiets af en keek naar mij, vol oprechte bewondering. Zijn jongensachtige charme was ontwapenend, vooral omdat hij leek te zijn vergeten wie hij was. Ik daarentegen was geen moment vergeten wie hij was en genoot van zijn aandacht. Ondertussen besefte ik hoe vreemd deze situatie was. Dit klopte niet. De rollen waren omgedraaid. Ik zou degene moeten zijn die ademloos naar hem staarde en niet andersom. Hij glimlachte naar me toen ik langs liep en verlegen lachte ik terug. Toen vervolgden we beiden onze weg, hij op zijn fiets en ik in mijn witte trouwjurk.
Supermarktcircuit

Vanaf het moment dat ik met het karretje het poortje openduw begint de stopwatch te lopen. Nerveus verspringen de cijfers in een halsbrekend tempo. Een van de wieltjes ligt dwars en stuurt me pontificaal het rek met de losse sinaasappels in, waardoor er enkele even later over de grond rollen. Geen tijd voor mijn burgerplicht laveer ik het wagentje handig om het oranje fruit heen en schop terloops het weerspannige wieltje in het gareel. Wie zegt dat geweld niks oplost? Het dwarse wieltje loopt weer als een zonnetje, synchroon met de anderen. Een kwartier heb ik mezelf gegeven, daarna moet ik weer buiten staan met twee volle boodschappentassen. Vergeet de sportschool, ik doe gewoon twee keer per week het supermarktcircuit met hindernissen, neem alle hordes, schuif soepel karretjes terzijde en slalom door de aanwezigen om op tijd bij de finish van mijn work-out te komen, de kassa. Daar sta ik dan, ongeduldig joggend op de plaats, te wachten tot ik aan de beurt ben, terwijl ik me erover verwonder dat er na al die tijd nog wenkbrauwen omhoog gaan bij de aanblik van mijn joggingbroek en shirtje in combinatie met de zweetband rond mijn roodverhitte hoofd. Je zou denken dat ze het zo langzamerhand wel gewend zijn, dat ik het onaangename, boodschappen doen, met het nuttige, maar tevens weerzinwekkende fitnessen, probeer te verenigen.

Het parcours is bekend en ik ben in een uitstekende conditie, dus ik zou het circuit vandaag gemakkelijk binnen de tijd moeten redden. Bovendien is het niet zo druk in de winkel. Ik voel het; dit wordt mijn dag, ik ga een geweldige tijd neerzetten. Vol enthousiasme begin ik wat groente en fruit in het karretje te mikken, waarna ik langs de zuivel sjees. Snel yoghurt, snel melk, snel vla en door naar de versafdeling en met piepende banden door de bocht als ik opeens stokstijf stil sta. Het karretje rolt onbemand door als ik mezelf in een snelle beweging door de knieën laat zakken en als een volleerde sluipschutter het dichtstbijzijnde gangetje in duik, onderwijl mijn hart in duizend stukjes achterlatend op de onverschillige vloertegels van de Albert Heijn. Heeft hij me gezien? Vast niet, daarvoor was hij veel te druk bezig met haar. Hier was ik al bang voor. Het is al te laat om het beeld ongedaan te maken, dat in die korte tijd al kans had gezien om zich in mijn netvlies te branden. De stralende blik van obsceen geluk waarmee hij haar aankeek en zij, gekleed in een walgelijk elegante jurk, die doet vermoeden dat ze na dit bezoek aan de supermarkt linea recta richting filmpremière gaat, alwaar ze vanaf de rode loper kushandjes naar het uitzinnige publiek werpt, dat zich verdringt om een glimp van haar op te vangen. Het zacht golvend blonde haar dat in een waterval van gesponnen goud over haar schouders valt, de hooggehakte schoentjes, waarop ik nog geen stap zou kunnen zetten zonder hulpeloos met mijn armen om me heen te maaien, waarna ik alsnog roemloos ter aarde zou storten. En natuurlijk loopt Miss Perfect op die wolkenkrabbers alsof ze nooit anders gedaan heeft. Door de supermarkt wel te verstaan, bespottelijk! Wat mensen al niet aantrekken als ze naar de winkel gaan. Totaal geen gevoel voor decorum. Wat een wandelende aanfluiting! En hij vindt het allemaal prachtig, adoreert de grond onder haar voeten, de slapjanus, de overspelige, onbetrouwbare hartenbreker. Na een jaar zonder hem heb ik eindelijk weer een gevoel van ritme, waarin de dagen weer dagen zijn en de nachten weer vaag overeenkomsten vertonen met de perioden van rust, die ik vroeger zo gewoon vond, zonder de rusteloze spooktochten door het huis die steevast eindigen in het vriesvak van de koelkast. Mijn ritme heb ik na een moeizaam gevecht met mezelf weer terug en ik ben niet van plan om dat zonder slag of stoot op te geven. Er zit dus niks anders op dan het karretje met de boodschappen achter te laten en al sluipend door de gangpaden ongezien het pand te verlaten.

De daad bij de gedachte voegend zak ik door mijn knieën en begeef me als een ninja naar de uitgang, een subtiele schaduw langs stoïcijnse schappen. Ondertussen houd ik alles voor en achter me in de gaten Als de kust veilig is, steek ik over bij de kruispunten. Die zijn nog het gevaarlijkst. Langs de snoepafdeling schuif ik richting de tijdschriften. Ik heb de kassa al in het vizier, als ik opeens een bekende stem naast me hoor. 'Irma, ik dacht al dat jij het was. Waarom loop je zo vreemd door de winkel?' Langzaam kom ik overeind en kijk recht in de blauwe ogen, die me eens met een enkele blik konden laten smelten. En direct moet ik tot mijn spijt constateren dat de smeltfactor nog steeds veel te hoog is. Ik recht mijn rug en kijk hem zo neutraal mogelijk aan. 'Oh, hai, geld', zeg ik, 'ik had een muntje laten vallen, maar het is waarschijnlijk onder de stelling gerold.' Zijn mondhoek maakt een spastische beweging en bij zijn ogen begint iets te glinsteren als opeens Barbie haar mond open doet. 'Kostelijk!' schettert haar stem door de winkel, 'je zou jezelf eens moeten zien.' Opeens ben ik me bewust van mijn sjofele outfit met de slordige paardenstaart op mijn bezwete achterhoofd dat niet in een groter contrast kon staan met haar tot in de puntjes verzorgde uiterlijk. De beauty en de beast. Geen wonder dat hij mij aan de kant heeft geschoven, flitst het door me heen. Koel glijden mijn ogen over haar onberispelijke uiterlijk. 'Grappig! Ik wilde net hetzelfde zeggen.' bijt ik haar vilein toe. Ze schrikt van mijn reactie, het gemaakte lachje verdwijnt van haar poppengezicht en even lijkt het of ze in huilen zal uitbarsten. Zijn bezorgde ogen houden haar scherp in de gaten, maar met een duidelijke krachtinspanning weet ze zich te herstellen en glimlacht koeltjes in mijn richting. Een zucht van opluchting ontsnapt aan zijn lippen.

Met een blik op mijn stopwatch draai ik resoluut mijn rug naar Ken en Barbie. 'Sorry, jongens, ik moet nu echt gaan.' Ik zwaai, trek een laatste sprint en wurm mijn bezwete lijf langs de verbaasde klanten bij de kassa. Dan druk ik de stopwatch in. Veertien minuten en achtenvijftig seconden. Zonder boodschappen, maar wel binnen de tijd. Een uitstekend resultaat. Ik ben tevreden voor vandaag.
Lentesprookje

In een wereld, niet eens zo ver van onze eigen wereld, leefden eens een lentekoning en een lentekoningin met hun zeven dochters. De lenteprinsesjes luisterden naar namen als Dovenetel, Stinkende Gouwe, Lenteklokje, Impatiens, Speenkruid en Zoete Erwt. De jongste heette Narcis. Ze was betoverend mooi met lang blond haar, een sierlijk lichaam en een levendig karakter. Haar lach klonk luider dan de lach van de andere prinsessen, haar tranen waren vochtiger en ze had een geheel eigen charme, waarmee ze al haar zussen om haar vinger wond. Narcis luisterde naar geen enkele naam.

Een heerlijk leven hadden de prinsessen. Dagen, weken, maanden regen zich aaneen tot een eindeloos feest van dartelen, lachen en spelen, tot op een mooie winterdag plotseling een bijzonder geluid hun aandacht trok.
'Whoooooheeeeehooooheee, lenteprinsessen, luister. Dit is jullie vader. Willen jullie allemaal direct naar het paleis komen? Ik wil jullie spreken.' Het was alsof de wind de stem voortbracht en verspreidde naar alle uithoeken van het speelbos. Alle prinsessen raakten meteen in grote staat van opwinding. Wat kon dit betekenen? Dovenetel begreep dat er iets aan de hand was en keek vragend naar Speenkruid. Zij haalde voor de gelegenheid haar duim uit de mond en gebaarde, dat ze allemaal naar het paleis terug moesten. Dovenetel knikte begrijpend en voegde zich bij haar zusjes. De prinsessen maakten zich klaar om gezamenlijk naar huis te vliegen. Allemaal, behalve Narcis. Zij was nog zo heerlijk aan het spelen boven de vijver.
'Narcis, ga nou mee. We kunnen vader toch niet laten wachten.' had Impatiens nog aangedrongen.
'Oh, ga maar vast, ik kom er zo aan. Nog even deze dans afmaken', kwam het luchtige antwoord. Impatiens stampvoette bijna van ongeduld en beet haar uiteindelijk toe: 'Nou, bekijk het dan maar. Ik ga!' en vloog weg, achter de anderen aan.
Als een volleerd kunstschaatser op het ijs bewoog Narcis zich waarbij ze haar eigen reflectie in de vijver nauwlettend volgde.
Oh, kijk eens hoe mooi mijn haar achter me aandanst als ik ronddraai, hoe vloeiend mijn bewegingen zijn. En als ik mijn linkerbeen hoog optil en mijn armen sierlijk op en neer beweeg, lijk ik wel een vogel. Zo kan ik wel uren doorgaan, lekker deinen op het ritme van de wind.
Ze danste en danste en vergat de tijd volledig. Plotseling stak een ijskoude wervelwind op. Narcis verkleumde en kromp ineen en hoewel ze zich direct had vastgegrepen aan een rietstengel, bleek haar lichte gestalte niet opgewassen tegen de harde wind. Ze kon niet anders dan de rietstengel loslaten en terwijl ze huiswaarts werd geblazen, zag ze nog juist één van de prinsen wegduiken achter een dikke eik. Het was Cosmos.
'Ik heb je wel gezien, hoor, Cosmos!' riep ze boos. Als antwoord hoorde ze slechts het ruisen van de wind, begeleid door een zacht, triomfantelijk lachje. 'Ik krijg je nog wel, mannetje,' dacht ze terwijl ze haar nagels in de muis van haar hand drukte tot het pijn deed.

'Zo, ben je daar eindelijk?' snauwde Koning Ridderspoor. Alle hoofden draaiden in haar richting. Narcis kleurde licht, maar haalde vervolgens onverschillig haar schouders op.
'Sorry, papa, ik was de tijd vergeten, dus je mag blij zijn dat ik toch nog ben gekomen!' Iedereen hield van schrik de adem in toen de koning met een woedende blik in haar richting bulderde: 'De tijd vergeten? Wil je wel je brutale mond houden en luisteren.' De arme koning hapte naar adem, terwijl Koningin Forsythia hem kalmerend op zijn arm klopte. Dat hielp, want even later vervolgde de koning duidelijk rustiger: 'Enfin, nu Narcis ons met haar aanwezigheid heeft vereerd, kunnen we eindelijk beginnen. Lieve kinderen… en Narcis', de koning grinnikte even om zijn eigen grapje, 'tot nu toe konden jullie spelen, dansen, zingen en plezier maken naar hartenlust in het grote speelbos, maar hier komt binnenkort een eind aan, want het is bijna lente en…noblesse oblige.' Vragend keken zes paar ogen hun vader aan.
'Wat bedoel je, papa?' klonk de welluidende stem van Lenteklokje.
'Lenteklokje, om de achttien jaar is het de eer aan ons koninkrijk om de lente in te luiden. Dit jaar is het weer onze beurt. Dat betekent dat jullie de rivier moeten oversteken naar de wereld van de mensen. De mensen zijn de winter beu en kijken reikhalzend uit naar het voorjaar. Dan verdrijft de zon de kou en het is jullie taak om ervoor te zorgen dat de natuur weer tot leven komt.' De koning keek even rond en zag dat al zijn dochters aandachtig zaten te luisteren, zelfs de jongste, zij het met een verveelde uitdrukking op het gezicht.
'Eenmaal in de mensenwereld aangekomen zullen jullie als eerste een grote kastanjeboom zien. Dit is de magische kastanje. Kijk omhoog en je ziet zeven baretten hangen aan de takken, voor elk van jullie één. Aan de binnenkant van de baret zit een schilderspalet met penseel. De baret zet je op en je gaat aan het werk.'
'Werk, vader?' Zoete Erwt keek de koning met grote, vragende ogen aan.
Koning Ridderspoor lachte om de reactie. 'Ja, met het palet en penseel kleur je de lente in alle kleuren van de regenboog. Je hoeft een bloem alleen maar aan te raken met je penseel. Zo veranderen jullie samen de wereld in een kleurig schilderij. Pas dan kan de lente beginnen.'
Toen de koning zweeg, barstte een opgewonden gekakel los en ook Dovenetel werd met gebaren bijgepraat door Lenteklokje. Toen alle prinsessen wilden gaan, popelend om het lenteavontuur te beginnen, riep de koning ze nog even terug.
'Nog één ding, lieve kinderen. Pas op voor de mensen. Zij mogen je niet zien, want als ze je zien, verander je ter plekke in lentestof en word je verspreid door de wind. Dan zul je nooit meer terugkeren naar ons koninkrijk. Dus pas goed op dat je onzichtbaar blijft. Ga nu maar gauw en ik wens jullie heel veel plezier met het brengen van de lente!' Verbeeldde Narcis het zich of bleef papa's waarschuwende blik wat langer op haar rusten? Narcis trok haar braafste gezicht en beantwoordde zijn strakke blik met een stralende glimlach. Op de een of andere manier kon het Koning Ridderspoor niet geruststellen.

'Zo, dat viel mee.' Met een zucht liet de koning zich op zijn troon vallen.
'Je hebt het prima gedaan, hoor.' Forsythia lachte haar man vriendelijk toe.
'Alleen Narcis,' zuchtte hij, 'ze haalt me werkelijk het bloed onder de nagels vandaan.'
Forsythia knikte begrijpend.
'Ja, ik maak me ook het meeste zorgen om haar, vooral omdat al onze meisjes zijn verloofd, behalve Narcis. Het is immers traditie dat alle lenteprinsessen trouwen op het grote bruiloftsfeest aan het eind van de lente, maar er is nog geen enkele prins om de hand komen vragen van Narcis,' zuchtte de koningin.
'Dovenetel is verloofd met Ratelpopulier. Ze passen uitstekend bij elkaar, vind je niet?' Zonder zijn antwoord af te wachten, vervolgde Forsythia. Handig dat hij al van jongs af aan gebarentaal 'spreekt'. En voor ons Lenteklokje luidt de huwelijksklok nu voor de derde keer. Na die twee nare scheidingen heeft ze eindelijk het geluk gevonden bij Fladderiep. Hij heeft zelfs afstand van de troon gedaan om met haar samen te zijn. Onze Stinkende Gouwe loopt op roze wolken sinds ze verloofd is met de immer verkouden Nieskruid. En Boksdoorn en Impatiens zijn een gezellig, tamelijk explosief stel. Voor Speenkruid is de vaderlijke Berendruif perfect; ze zijn zo schattig samen. De grootste verrassing komt toch wel van Zoete Erwt. Zij heeft de ware liefde gevonden bij prinses Madelief, die nu al speels door de zussen 'de prinses op de erwt' wordt genoemd.' Forsythia's parelende lach schalde door de ruimte en haar echtgenoot gniffelde goedmoedig mee tot Forsythia's lach opeens abrupt stopte en ze verdrietig vervolgde: 'Maar er heeft zich helemaal niemand aangemeld die het aandurft met die eigenwijze spinnenkop van ons. Hoe moet dat nu toch, Ridderspoor?'
De koning sloeg een troostende arm om de schouders van zijn lieve vrouw.
'Ik zal wel met de zomerkoning gaan praten. Het komt allemaal goed met Narcis. Dat beloof ik je.'

Narcis zat helemaal alleen aan de rand van het speelbos bij de oever van de rivier. Haar zussen waren allang vertrokken naar de mensenwereld, maar Narcis draalde nog een beetje. Eigenlijk wilde ze helemaal niet werken. Waarom kon ze nou niet voor altijd blijven spelen? Ingespannen tuurde ze over de rivier in een poging een glimp op te vangen van die mysterieuze mensenwereld, maar de overkant was gehuld in een dichte mist.
'Hé Spinnenkop, wat doe jij hier nog?'
Narcis draaide zich om.
'Mama,… ik… ik wil nog even hier blijven in het speelbos.'
'Maar meisje, dat kan echt niet. Weet je wat het betekent voor de mensen als jij niet aan de slag gaat?'
'Wat kan mij nou die mensen schelen.' mopperde Narcis opstandig. 'Ze mogen ons niet eens zien. Wie weet wat voor griezels het zijn! En daar moet ik dan voor werken?' Forsythia moest glimlachen om haar rebelse dochter, maar onderdrukte het snel, voordat Narcis het zou merken.
'Lieverd, als jij jouw taken niet vervult in de wereld, blijft een deel van de wereld verstoken van de lente. En dat kan toch niet! Iedereen heeft schoon genoeg van de winter. Het is tijd voor het voorjaar, de vogels moeten weer gaan zingen en de bloemen bloeien. Er komt weer kleur in de wereld. En zo hoort het ook.'
'Nou mam, ik zal erover nadenken of dit is wat ik wil doen met mijn leven, maar ondertussen speel ik nog even verder. Goed?' kwam de spinnenkop haar moeder schoorvoetend tegemoet. Forsythia haalde zuchtend haar schouders op.
'Wacht er in elk geval niet te lang mee. Het is al bijna april en de tijd begint te dringen.'
'Nee, mam, ik beloof je dat ik heel snel zal nadenken.'

Alleen spelen was toch wel saai, vond Narcis. Op een smalle boomstronk zat ze uit te rusten, toen ze vlakbij een takje hoorde kraken. Ze keek verschrikt op en zag Cosmos staan, nonchalant met één been op de andere kant van de boomstronk. Voordat hij kon beginnen over haar aanwezigheid aan de verkeerde kant van de rivier, zette ze maar meteen de verdediging in.
'Ja, ik weet het. Ik ben nog hier, maar ik heb niet zo'n haast om te werken, hoor, ik ben nog zo jong!'
'Hahaha,' lachte hij, 'Geen haast! Je durft gewoon niet!'
'Natuurlijk wel, maar misschien wil ik gewoon nog even wachten. Mijn vleugels zijn nog niet zo sterk. Straks haperen ze en dan val ik in de rivier.'
'Zie je wel. Je bent gewoon bang.'
'Denk je soms dat ik daar in trap, dat ik me laat uitdagen? Vergeet het maar, echt niet.'
'Voor mij hoeft het anders niet, hoor. Ik vind het wel gezellig dat je hier in het speelbos blijft. Tenslotte ben je mijn favoriete prinses.'
'Oh, echt?' Blij verrast keek Narcis hem aan.
'Ja, om te pesten!' Op datzelfde moment tilde Cosmos zijn voet op en liet zijn been met kracht op de andere kant van de boomstam neerkomen, waardoor Narcis werd gelanceerd. Haar lichte gestalte vloog over de rivier. In haar vlucht draaide ze zich woest naar Cosmos om.
'Wat doe je nou? Ik zei toch, ik ben nog niet zover.' schreeuwde ze hem toe. Cosmos zwaaide alleen met zijn arm.
'Dag, schat. Werkze en veel plezier, hè.'
Ja, nou was ze toch al onderweg. Nu ze was gedwongen om a te zeggen, moest ze ook maar b zeggen. Ze zou haar verantwoordelijkheid nemen. Had ze dat trouwens goed verstaan? Zei hij nou 'schat'?
Narcis merkte nog net op tijd dat ze hoogte verloor en bijna het water raakte, dus ze begon als een bezetene met haar vleugels te flapperen. Oef, dat scheelde niet veel. Ze vloog en vloog tot ze bij de oever van de mensenwereld aankwam. Daar vond ze direct de magische boom, precies zoals papa had gezegd. Er hing nog één eenzaam baretje aan een kale tak. Narcis pakte de baret, zette hem op en inspecteerde nog even in de weerspiegeling van het water of het niet raar stond. Vervolgens pakte ze haar palet en penseel en ging aan het werk. IJverig als een duizend-en-één-dingendoekje zwaaide ze met haar penseel. Ze werkte hard om haar achterstand in te halen en tot haar eigen verbazing kreeg ze er steeds meer plezier in.

'Ik haat de winter! Bah, sneeuw, ijs en viezigheid. En dan die verschrikkelijke kou, brrrrr. En alles is zo saai, grijs, kleurloos. Waarom duurt deze winter zo lang? Binnenkort is het april, maar daar merken we nog weinig van. Het lijkt verdorie wel hartje winter. Die dikke winterjas ben ik zo langzamerhand ook beu. Ik wil lente! Waar blijft de lente?'
'Zit toch niet zo te mopperen, Bart. Die lente komt heus wel, een beetje laat misschien, daar heb je gelijk in, maar het kan niet anders of vandaag of morgen begint de lente. Heb geduld. En zit me alsjeblieft niet zo stom uit te lachen.'
'Lachen? Hoe kom je erbij? Ik lachte helemaal niet. Daar ben ik echt niet voor in de stemming, met deze lange rotwinter. Elke dag word ik chagrijniger. Dus beschuldig me niet van lachen, want ik weet niet eens meer hoe dat moet. Hahaha. Zoiets?'
'Oké, je hebt me overtuigd, boer met kiespijn. Jij was het niet. Het klonk heel anders. Heel vrolijk en zacht als een belletje. Trouwens, heb je gezien hoe onze forsythia uitbundig in bloei staat en die krokusjes, stonden die er net ook al? Wat vreemd, ik knipper even met mijn ogen en onze hele tuin is gehuld in lentetooi, wat een explosie van kleur. Net was het nog winter en nu… Snap jij het?...En nou hoor ik weer dat lachje. Waar komt dat geluid toch vandaan? Hé, wat was dat? Daar onder dat blaadje, daar zag ik iets bewegen…' Miranda bukte zich om het blaadje op te pakken.
Narcis verstijfde helemaal onder het blad, hield haar adem in. Vlug, ze moet iets bedenken. Anders zien die mensen haar. Dat mag niet gebeuren. Als ze nu onder het blad vandaan kruipt, zien ze haar zeker. Ze kan geen kant op. Misschien als ze zich vastklampt aan de randen. Dan tillen ze haar op met blad en al en als ze geluk heeft, zien ze haar niet. Vluchten kan in elk geval niet meer. Ze kon de warmte van de naderende hand al voelen. Nog even en dan zou ze worden opgetild. Narcis sloot haar ogen stijf dicht en klampte zich als een drenkeling vast aan het blad, terwijl ze zich in gedachten al uit elkaar voelde vallen en verkruimelen tot lentestof. Op dat moment stak een koude wind op die het blaadje naar de andere kant van de tuin blies, waar het zachtjes landde achter een struik. Ze slaakte een zucht van verlichting, maar dat was van korte duur, want vrijwel direct voelde ze een plotselinge beweging achter zich. Ze wilde gillen, maar een hand werd razendsnel voor haar mond geschoven.
'Ssssst, stil nou!' fluisterde een stem.
'Cosmos?' Ongelovig draaide Narcis zich naar hem om. Cosmos gebaarde met zijn vinger voor zijn mond dat ze stil moest zijn.
'Oh, nou is het weggewaaid. Nou ja, in elk geval ben ik blij dat de lente nu echt is begonnen. Ik heb opeens een geweldig idee, Bart: zullen we vanmiddag de tuin eens onder handen nemen? Ik heb er echt zin in. Heerlijke lentekriebels!'
'Pfff, dank je wel, Cosmos,' fluisterde Narcis, 'dat scheelde niet veel. Bijna hadden die mensen me gezien. Ik moest ook zo lachen, kon ik absoluut niks aan doen.'
'Ik dacht al dat je in de problemen zou raken, dus heb ik besloten een oogje in het zeil te houden. Iemand moet toch op jou passen, want anders loopt het helemaal uit de hand. Dat heb ik allang door.' En weer klonk heel zacht het ondeugende belletje, maar ditmaal hoorden Bart en Miranda niks. Ze waren druk bezig om plannen te maken voor de tuin.

'Geachte aanwezigen, vandaag is een bijzondere dag. Niet alleen vieren we samen de afsluiting van de lente, maar vandaag is ook de dag dat alle lenteprinsessen in het huwelijk treden met hun geliefden.' Vanuit de paleiszaal steeg een oorverdovend applaus op. 'Zeven bruidsparen zullen elkaar zo het ja-woord geven.' Narcis trok haar vader aan zijn mouw en fluisterde in zijn oor: 'Maar papa, ik ben toch niet verloofd. Aan wie moet ik dan het ja-woord geven?' Ridderspoor rechtte trots zijn rug en keek Narcis geruststellend aan.
'Jawel, lieve dochter. Dat heb ik voor je geregeld. De zomerkoning heeft om jouw hand gevraagd en ik heb namens jou geaccepteerd.'
'De zomerkoning?' tierde Narcis. Stoom kwam uit haar oren.
'Ik ga toch niet trouwen met die stokoude man met die aardbeineus? Ik hou helemaal niet van hem. Papa, dat kun je me niet aandoen! Ik loop weg, hoor, dat beloof ik je. Wat denk je wel? Ik word doodongelukkig met hem…Papa?'
Narcis zag de grijns op haar vaders gezicht en realiseerde zich dat ze was beetgenomen.
'Grapje!', Ridderspoor grijnsde van oor tot oor.
'Oooooooh', Narcis stompte hem bestraffend tegen zijn arm.
'Maar', ging Ridderspoor verder, 'er heeft zich wel een dapper jongmens aangemeld, die me officieel om jouw hand heeft gevraagd.' Zijn jongste dochter stond inmiddels bijna op en neer te springen van nieuwsgierigheid.
'Oh, ja? Wie, wie, wie, papa?' Op dat moment deed koning Ridderspoor een stapje naar achter en als uit het niets kwam prins Cosmos tevoorschijn. Hij ging op zijn knieën voor Narcis, maar voordat hij ook maar één woord had kunnen uitbrengen, riep Narcis: 'Ja, ik wil!' en viel hem om de hals, waardoor ze samen omrolden. Ridderspoor en Forsythia keken glimlachend en met verdacht vochtige ogen toe. Ook de andere aanwezigen moesten lachen en er werd enthousiast geapplaudisseerd.
En zo geschiedde. Acht bruiden en zes gommen werden vol overtuiging in de echt verenigd en het hele koninkrijk vierde feest.
En daar in die wereld, niet eens zo ver van onze eigen wereld, leefden ze nog lang en gelukkig.

Een moderne Assepoester

Cindy zit op haar zolderkamertje een verhaal te schrijven. Het ritmische tikken van haar vingers wordt begeleid door het gedrup van de regen in de emmer. Tikketikketikketikketik, drup, drup, drup. Het lek in het dak moet nog steeds worden gemaakt. Volgens Dina gebeurt dit zodra ze de staatsloterij winnen. Ze moeten immers rondkomen van het armzalige salaris dat Cindy's vader verdient. Haar vader is professor in de chemie en zijn hele leven al op zoek naar het ontbrekende element. Al op jonge leeftijd kreeg hij een voorgevoel dat het periodiek systeem der elementen niet compleet was. Het werd de missie van zijn leven: de jacht op het missende element. Deze obsessie neemt zoveel van zijn denkprocessen in beslag, dat er maar bitter weinig tijd overschiet voor zijn enige dochter Cindy.

Gelukkig weet zij zich prima te vermaken met de laptop, waar Monique jaren geleden een glas cola over had laten vallen. De computer gaf destijds een knalletje en er kwam een steekvlam uit, die Monique in een reflex had gedoofd met het laatste restje cola. Toen de laptop vervolgens niet meer wilde opstarten, had Monique het ding driftig tegen de muur geslingerd, waarna het apparaat er definitief de brui aan gaf. Monique of Monster, zoals Cindy haar heimelijk noemde, kreeg uiteraard een nieuwe laptop zodat Cindy ongezien het mishandelde exemplaar mee kon nemen naar haar domein. Met heel veel geduld en liefde wist ze het apparaat weer aan de praat te krijgen. En zo had Cindy haar eigen venster op de wereld.

Haar verhaal is klaar, dus het kan op internet worden geplaatst met een link naar Facebook. Daar heeft ze een account onder de naam Cindy Rella. Voetstappen klinken op de trap. Dat is vast haar vader. Dina, Monique en Bella komen nooit op haar kamertje. Veel te koud en ongezellig. Bovendien is het trapje link, want een van de treden is doorgerot. Zelf stapt Cindy daar makkelijk overheen, maar ze kan zich voorstellen dat haar vadsige stiefzussen daar meer problemen mee hebben. Een korte klop op het deurtje.
'Kom binnen', roept ze. Haar vaders verwilderde hoofd met de scheve bril op zijn neus verschijnt in de deuropening.
'Papa!' Ze omhelst de verstrooide professor, die vrijwel direct noodgedwongen plaatsneemt op haar bed. Het plafond is erg laag.
'Dag, lieverd. Hoe gaat het hier? Alles goed met jou?' Zijn ogen blijven vorsend op haar rusten.
'Hoezo?' Cindy kijkt zo neutraal mogelijk in zijn pientere ogen.
'Ik hoorde iets over een dweil en agressie, zoiets.' Cindy begint te lachen.
'Oh, dat.' Ze wuift het weg met haar kleine hand.
'Klein verschil van mening met Monique en Bella, meer niet.' In werkelijkheid was ze des duivels geweest toen Monster en Tuttebella met hun vuile modderschuiten expres over haar pas gedweilde vloer banjerden. Toen Monster ook nog eens haar vuile handen langs het schone raam wreef, vloog er opeens een kletsnatte dweil door de lucht, die potsierlijk op het lelijke hoofd van Monster landde. Daarna verdween Cindy snel naar haar zolderkamer, nadat ze de deur van de woonkamer met een klap achter zich had dichtgetrokken. Als Dina problemen had met de moddervlekken, moest ze maar bij haar dochters aankloppen.

Deze houding kwam haar natuurlijk te staan op een preek en een bord koude zuurkool, waar de krokante kaaskorst en de stukjes worst al uit waren. Een onvrijwillige vegetariër was ze, want het gebeurde wel vaker dat er van het eten niet meer overschoot dan een prakje aardappelen en een miezerig hoopje groente. Dina was van mening dat Cindy met haar opvliegende karakter beter geen vlees kon eten. Daar werd ze maar agressief van. Dit was overigens ook de conclusie uit het laatste verzonnen onderzoek van Dina Stapel. Vlak daarna had de universiteit haar ontslagen.

Na een laatste bezorgde blik op haar, die al snel plaats maakt voor zijn gebruikelijke afwezige gezichtsuitdrukking, verlaat professor van As het steenkoude kamertje. Cindy glimlacht, schudt haar hoofd en start Facebook om de link naar haar verhaal te plaatsen. In een opwelling besluit ze een oproep te posten.

Ken je dat? Binnenkort een feestje en helemaal niks om aan te trekken?
Misschien kunnen we elkaar helpen? Heb jij een mooie jurk met bijpassende schoenen en een masker te leen? Dan kan ik als dank een overheerlijke taart voor je bakken? Ik heb maat 36 van kleding en schoenmaat 38. Alleen serieuze reacties s.v.p.


Het blijft stil na de oproep. Geen enkele reactie en al gauw raakt haar appèl ondergesneeuwd door alle andere berichten. Ondertussen komt wel het gemaskerde schoolbal naderbij. Tuttebella en Monster zijn al druk doende met het passen van hun jurken, staan urenlang voor de spiegel te draaien en zichzelf te bewonderen in hun gloednieuwe toiletten. Cindy wordt niks gevraagd, eigenlijk gaat Dina er vanzelfsprekend vanuit dat ze geen interesse heeft.
'Dat is toch niks voor jou, schat!' had ze liefjes gezegd. En daarmee was de kous af.

Op de avond van het gemaskerde bal zwaait Cindy haar stiefzussen uit en loopt vervolgens linea recta naar haar zolderkamertje omdat ze niemand onder ogen wil komen nu de waterlanders zo hoog zitten. Languit op bed liggend barst ze in tranen uit. Haar hele lichaam schokt. Wat had ze graag haar opwachting gemaakt in een mooie jurk. Als ze dan binnen kwam zou ze vooral letten op de reactie van Sebastiaan, de captain van het footballteam en de populairste jongen van de school. Een mooie droom, maar het zou een mooie droom blijven.

Dan voelt ze een tik op haar schouder. Verrast kijkt ze op met haar behuilde ogen achter de jampotdikke brillenglazen. Voor haar staat een grote, witte duif, die eerst even zijn keel schraapt voordat hij schor zegt: 'Sorry, dat ik je zo heb laten schrikken, maar je hoorde me niet toen ik met mijn snavel tegen het raam tikte, dus ben ik maar brutaal naar binnen gevlogen. Ben jij Cindy?' Het stomverbaasde meisje knikt langzaam.
'Mooi! Dan ben ik hier aan het juiste adres. Als jij dan even gaat staan.' Cindy komt overeind en gaat gedwee naast het bed staan. De witte duif zwaait drie maal met zijn rechtervleugel en als Cindy naar beneden kijkt, glimmen er opeens twee hoge, groene schoentjes aan haar voeten. Ze draait zich om en kijkt nieuwsgierig in de spiegel. Een prachtige dame met blond, zacht golvend haar en grote grijze kijkers staart haar aan. Haar handen gaan naar haar gezicht. Waar is haar bril gebleven? Die heeft ze al zeven jaar en zonder dat ding is ze stekeblind. Dina vond het niet nodig dat ze een nieuwe kreeg, want het geld groeide immers niet op haar rug. Verwonderd kijkt ze weer in de spiegel. Die lelijke bril is weg, maar toch kan ze zichzelf haarscherp zien. Heeft die rare duif contactlenzen in haar ogen getoverd? Ze draait rond en is verrukt over de golvende beweging die de groene jurk maakt, terwijl een zachte, verleidelijke geur haar neusvleugels streelt. Is zij dat? Ruikt zij zo lekker? Dit is nou niet bepaald de eau de allesreiniger, die volgens Monster en Tuttebella constant om haar heen hangt.

'Nou, als je zover bent…' De duif spreidt zijn vleugels en gebaart dat Cindy op zijn rug moet plaatsnemen.
'Een ding nog', de duif draait zijn kop naar haar om en kijkt haar streng aan. 'Klokslag twaalf uur kom ik je ophalen van het feest en dan moet je klaarstaan om met me mee te gaan. Dus twaalf uur en geen seconde later.' Ongeduldig knikt Cindy. Haar hart maakt een sprongetje; ze gaat naar het bal.

Voordat ze de feestzaal binnen gaat, bindt ze snel haar groene masker voor. Ze haalt diep adem en loopt naar binnen. Gesprekken verstommen en alle hoofden draaien in haar richting. Verlegen slaat ze haar ogen neer en als ze weer durft opkijken, staat Sebastiaan voor haar. Vanzelfsprekend met masker, maar ze zou hem uit duizenden herkennen. Hij buigt diep en als hij weer omhoog komt voelt ze hoe zijn bruine ogen zich onderzoekend in haar gemaskerde ogen boren. Hij heeft geen enkel idee wie ze is. Ze glimlacht in stilte.
'Mag ik deze dans van u?' Ze knikt. Hij pakte haar bij de hand en leidt haar naar de dansvloer. De avond vliegt voorbij in een roes van bruisende champagne, dansen en swingen en zorgeloos lachen. Sebastiaan wijkt nauwelijks van haar zijde en ze geniet met volle teugen van zijn nabijheid. Vanuit haar ooghoeken ziet ze hoe Monster en Tuttebella elke beweging van haar gadeslaan, net als de rest van het gezelschap, dat dolgraag wil weten wie zij is. Cindy geeft geen krimp. Dit is haar avond.

Dan, midden op de avond wordt de muziek opeens uitgezet en begint iedereen te tellen. Tien, negen, acht, zeven…Als Cindy zich realiseert dat het bijna twaalf uur is en dat binnen enkele seconden alle maskers af gaan, aarzelt ze geen seconde, maar rent naar de deur, de brede trap af en naar buiten. Ze klimt op de rug van de duif en hoort op hetzelfde moment 'Nul' achter haar rug, gevolgd door luid gejuich en ze weet dat alle maskers op dat moment de lucht in gaan.

Weer terug op haar zolderkamer zet de duif haar neer en zwaait driemaal met zijn linkervleugel. Ze staat weer met haar vertrouwde blote voeten op de grond. Verdwenen zijn de jurk, de schoentjes en het masker. Op haar neus prijkt als vanouds de bril, waarvan een lam pootje met een stukje plakband op de plaats wordt gehouden. Cindy bedankt de duif voor de onvergetelijke avond en valt zielsgelukkig in slaap.

Twee dagen later als ze door de berichten op Facebook scrolt, valt haar oog op een foto van een groen schoentje. Het is een bericht van Sebastiaan:

Ben jij het meisje dat op het gemaskerde schoolbal dit schoentje op de trap heeft achtergelaten? Stuur me alsjeblieft een reactie, want ik ben op zoek naar jou.

Onder het bericht stonden al honderden reacties. Ook Monster een Tuttebella hadden zich uitgegeven voor de mysterieuze dame, zag ze. Zal ze zich bekend maken? Ze aarzelt, maar sluit dan resoluut Facebook af.

Op school is het een gekrioel van leerlingen, die na het belsignaal hun weg zoeken naar het volgende leslokaal. Met haar ongewassen haren in een knot, de bril uit het jaar nul op haar neus en de soepjurk, die haar enkele maten te groot is, een afdankertje van Tuttebella, doet ze in niks denken aan de geheimzinnige dame van het schoolbal. Afwezig loopt ze door de gangen als opeens het volledige footballteam door de klapdeuren komt aanrennen. In hun vaart lopen ze Cindy van de sokken, die van schrik haar boeken in de lucht gooit, haar evenwicht verliest en hard tegen de muur knalt. Versuft blijft ze liggen. 'Jongens, wacht!' Sebastiaan knielt naast haar neer. 'Sorry, dat was een beetje lomp van ons. Gaat het?' Door de klap was de bril van haar neus geschoten en de pin, die haar haren bijeengebonden hield, was losgeraakt, waardoor haar haren in een ongecontroleerde waterval naar beneden vielen. Nog steeds een beetje duizelig kruipt Cindy op handen en voeten door de gang, terwijl haar handen zoekend over de grond gaan. 'Zoek je dit?' Een jongen reikt haar de zielige restanten van wat eens haar bril was. 'Sorry, er is iemand op gaan staan.' Voor het eerst kijkt Cindy op. Vaag ziet ze de contouren van een toegestoken hand. Ze wordt omhooggetrokken en dankbaar kijkt ze in de richting van de hand.
'Ah, jij bent het.' hoort ze Sebastiaans donkere stem.
'Ja, ik ben het.' fluistert ze terug. Het begin van een prachtige vriendschap.



Hij dacht dat hij Jezus was

Hij dacht dat hij Jezus was, maar de dorpelingen wisten wel beter. Dat was er een van Stokke, Henk of Peter of zoiets. Zijn verschijning was opvallend. Het lange, magere lichaam was immer gehuld in een wit gewaad dat bijna reikte tot de grond, waar zijn in sandalen gestoken blote voeten onderuit piepten. Altijd blote voeten, wat voor weer het ook was. Je kon hem vooral in de zomer tegenkomen, want in de winter, werd gefluisterd, woonde hij in het gesticht even buiten het dorp.

Wilde verhalen deden de ronde over de man met de ongekamde haren en de overvloedige gezichtsbeharing. Zo zouden er Deilingers zijn geweest die hem een kan met water hadden gebracht met het verzoek daar wijn van te maken. Ze kregen per slot van rekening visite die avond. Jezus had zijn dorpsgenoten kalm aangekeken met zijn halfgeloken ogen en ze de weg gewezen naar de plaatselijke supermarkt met de woorden: 'Er lijkt me geen absolute noodzaak voor het verrichten van een wonder, dus ik kan de Zuid-Afrikaanse wijn van de Albert Heijn van harte aanbevelen.' Daarna had hij zich met een raadselachtige glimlach omgedraaid en was weggelopen.

Ook de keren dat hij op het marktplein brood stond uit te delen aan de voorbijgangers staat de dorpelingen nog levendig bij. De eendjes in de vijver achter het gemeentehuis vaarden er wel bij.

Zelf kende ik hem vooral van zijn optredens in de kerk. Altijd zat hij op de voorste bank, daarachter kwam dan een bank, waar helemaal niemand zat en pas vanaf de derde bank schoven de parochianen aan, op gepaste afstand van de dorpsgek. Het leek hem weinig te deren.

Mijn ouders, mijn zusje en ik zaten praktisch achterin de kerk, dichtbij de deur. Anneke en ik gingen altijd met gepaste tegenzin, maar aangezien dit het enige was wat onze ouders van ons verlangden, gaven we schoorvoetend gehoor aan het wekelijkse 'verzoek'. Het was immers voor ons eigen zielenheil. Als de kapelaan zijn preek hield, keken Anneke en ik elkaar aan en bewogen onze lippen, alsof de gesproken woorden zo uit onze mond kwamen rollen. Het was de kunst om je mond op tijd weer stil te houden als de geestelijke zweeg. Anders had je verloren. Vaak lachten we onderdrukt naar elkaar of doken met rode hoofden onder de bank, wat ons vooral bestraffende blikken van mijn moeder opleverde. De inhoud van de tirade ging verder geheel aan ons voorbij.

Totdat Jezus zich ermee bemoeide. Het was niet in elke mis raak, maar soms als de kapelaan bijzonder lang van stof was, stond Jezus plotseling op, ging op de bank staan met zijn rug naar het altaar en schreeuwde hij alle parochianen een boodschap toe, die galmde door de kerk: 'Mijn vader is er voor ons allemaal!' Dan gleden zijn blikken langs de rijen dorpsgenoten, die hij een voor een betekenisvol aankeek en terwijl zijn vinger wees waar zijn ogen gingen, vervolgde hij. 'Voor jou, voor jou, voor jou en voor jou.' Vlak daarop hoorden we de nuchtere stem van de kapelaan. 'Dank je wel, Jezus, voor deze waardevolle aanvulling.' Jezus draaide zich dan prompt om naar de kapelaan, stapte van de bank af en ging weer zitten, waarna de dienst werd voortgezet alsof er niets gebeurd was. Achterin de kerk gniffelden Anneke en ik met onze hand voor de mond.

Eigenlijk was ik een beetje bang voor hem en als ik hem op straat zag, liep ik snel naar de overkant of dook een zijstraatje in. Op een mooie, warme dag was ik echter te weinig op mijn hoede en liep al langs voor ik hem in de smiezen had. Natuurlijk gebeurde wat ik al vreesde; hij sprak mij aan. 'Hey, jij daar.' Ik keek hoopvol om me heen of hij misschien iemand anders kon bedoelen, draaide me terug naar hem met een gebaar van wie-ik?, waarna hij me wenkte met zijn hand. Langzaam liep ik in zijn richting, terwijl ik met mijn gespeelde verveelde gezichtsuitdrukking mijn kloppend hart probeerde te overstemmen. Vlak voor hem bleef ik staan, terwijl ik voor het eerst recht in de ogen keek, die deels schuil gingen onder de zware oogleden. De kleur hield het midden tussen bruin en donkergroen. Waren dit de ogen van een krankzinnige of stond ik hier domweg oog in oog met de Messias? In mijn kinderogen was alles mogelijk. 'Jij lijkt me wel een sterke jongen. Klopt dat?' Zijn stem klonk donker en vriendelijk. Rondom ons had zich een kliek verzameld die belangstellend was blijven staan. Ik durfde niet op mijn stem te vertrouwen en knikte alleen maar. Hij boog zich naar me toe en tikte op zijn rechterwang. 'Geef mij eens een flinke klap.' Hulpeloos keek ik naar de mensen om ons heen, maar ik zag alleen naakte nieuwsgierigheid. Toen ik Jezus weer aankeek, zei ik 'Nee!', luid en duidelijk en wilde doorlopen. 'Je bent toch niet bang, zeker!' Voor ik het wist had ik me omgedraaid en gaf hem een haal over zijn rechterwang, niet meer dan een vriendelijke aai. Een golf van gelach ging door de menigte rondom ons. Jezus grinnikte. 'Noem je dat slaan? Je bent toch geen mietje? Hier heb je mijn andere wang.' Zijn vingers tikten uitdagend tegen zijn linkerwang. Zijn lodderogen keken me strak aan. Ik hoorde hoe mijn ademhaling versnelde en haalde plotseling fors uit. Mijn vuist landde met kracht tegen zijn wang, zijn gezicht draaide mee met de klap en zijn hand ging automatisch naar zijn wang. Even wankelde hij, maar bleef uiteindelijk staan. Zijn ogen boven de wrijvende hand keken me verwijtend aan. Beschaamd maakte ik me uit de voeten.

Na die confrontatie heb ik Jezus niet meer gezien. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af waar hij gebleven is.



Verboden liefde

Laat er geen misverstand over bestaan, want ik weet het waarachtig wel; door mijn liefde voor haar zal ik branden, voor eeuwig in de hel. Deze wetenschap zou me moeten tegenhouden, mijn mond zou moeten schreeuwen: 'Stop!', maar mijn hart galoppeert door in een onnatuurlijk ritme, trotseert hellevuur en duivel, zo sterk is mijn verlangen. Mijn passie brandt een gat in mijn borstkas, waardoor alle liefde de kans krijgt te ontsnappen. Vlucht als een vogel zo vrij naar alle windstreken, gaat heen en kom nimmer weer. Maar hoe ik ook probeer, mijn ziel is reeds verschroeid. Hoe kan het zijn dat deze hartstocht met de kracht van duizend orkanen verderfelijk is? Mag dit gevoel, het vuur dat in mij brandt, wel liefde heten? Kan deze emotie zo goddeloos zijn dat zelfs beëlzebub zich in afschuw van mij afkeert en tegelijkertijd in één adem genoemd worden bij de naam die alle emoties in de schaduw stelt?

Vervloekt ben ik, maar dat kan me niet deren, want immer wil ik in het gezelschap van deze bloem verkeren, wier verzengende schoonheid mijn ogen teistert. En toch ben ik niet in staat om iets anders te wensen dan haar zuivere blankheid op te zuigen in mijn gretige hart, dat bij elke ontmoeting spontaan van ritme verandert. Met grote vreze vrees ik dat mijn hart het begeeft, zo bruut gaat het kolkende bloed in mijn aderen tekeer. Ben ik reeds verdoemd door enkel scabreuze gedachten of is er nog hoop in dit aardse bestaan?

Mijn hart spreekt een taal die vuren trotseert, bergen beklimt en oceanen doorklieft, maar is zij ook in staat om de ketenen van mijn geest te breken? De strijd om de alleenheerschappij wordt boven mijn hoofd uitgevochten. Op hoog niveau kruisen de tirannen de degens, het wapengekletter echoot door de ruimte, begeleid door een fluisterende bries, die in kracht toeneemt tot alles begint te wervelen, terwijl ik doodstil in het oog van de storm wacht op de uitkomst van het conflict. Welk van de dictators dicteert mijn gedragingen het meest? Is het mijn hart of toch meer mijn geest? Vrijheid is de trofee waar mijn handen hunkerend naar reiken, maar nimmer stond deze verder van me af.

De dag dat zij mijn klaslokaal betrad staat me nog helder voor de geest. Toen haar heldere lach mijn oren streelde, kon ik niet anders dan opkijken van mijn lessenaar. En daar zat ze, vlak voor me met het lichaam van een hinde, dat me ondanks de verhullende kleding naakt toescheen. Terstond begon het vuur in mijn lendenen te ontbranden. Door mijn oogharen gluurde ik naar haar bleke wangen en de pure onschuld die haar grote, blauwe ogen uitstraalden en het vuur laaide op, hoger en hoger. De tralies van mijn oogharen plaatsten haar in de gevangenis, of was ik het zelf, die gevangen zat? De wereld, enkele seconden daarvoor nog een neutrale plaats, was veranderd in een oord, waar God en Satan naast elkaar leken te staan. Beiden wenkten ze me, de schepper met zachte hand en de duivel met rode ogen en een ijzingwekkende grijns op zijn gezicht. Mijn ogen gleden langs beiden naar het lieflijke wezen dat slechts een paar seconden nodig had gehad om obscene gedachten in mijn brein te verstrengelen met een warmte die me ter plekke dreigde te verteren. Dat haar levensjaren niet meer dan een kwart van die van mij besloegen, speelde op dat moment geen enkele rol. Mijn hart behoorde onvoorwaardelijk toe aan deze kleine nimf, die zo onverwacht mijn leven in kwam zweven. Pas toen zij mijn bestaan infiltreerde begreep ik waarom geen enkele vrouw ooit vat op me had gehad. Ik had mezelf bewaard voor haar.

Het tempo van mijn existentie werd hierna bepaald door de drie contactmomenten per week, waarin Roos mijn handel en wandel van een grijze sleur wist te exalteren tot een kolkend palet van exploderende levenskracht. Bij elke ontmoeting werd het verlangen om even met mijn vingers over de zachte huid van haar lelieblanke armen te strelen groter. Tijdens toetsen liep ik door de klas en boog me over de smalle gestalte heen om haar frisse geur van aarde vermengd met gras na een fikse regenbui op te snuiven. Uiteraard wilde ik geen argwaan wekken en boog ik me ook over andere gewelfde kinderhoofdjes, die ijverig het papier vol penden. Elke les was een genot, waarbij al mijn zintuigen dreigden te overstromen onder de invloed van haar nabijheid en tezelfdertijd was het een bittere kwelling. Vooral mijn ogen moest ik in bedwang houden om niet gulzig elk detail van haar feeërieke verschijning te absorberen. Met geweld moest ik mijn blik soms een andere kant op dwingen om even later weer terug te keren bij het kloppende centrum van mijn bestaan.

Alles had zijn betekenis verloren vanaf het moment dat mijn engel was neergedaald in de schoolbanken. Slechts één wezen deed ertoe en de hele wereld leek samen te spannen om deze wetenschap te huldigen. Zo floten de vogels luider en melodieuzer, scheen de zon uitbundiger en waren de mensen vrolijker. Gelukkig had ik voldoende leservaring om op de automatische piloot verder te gaan, zodat zelfs een oplettende enkeling niet kon bevroeden dat mijn innerlijk flink in beroering was.

De doodsteek kwam snel en onverwacht, nadat ik de klas de opdracht had gegeven om een gedicht te schrijven over de liefde. Eén voor één moesten de leerlingen deze voor de klas voordragen en uiteraard kregen ze hier een cijfer voor. Hoewel ik ernaar hunkerde om Roos voor de klas te zetten en me te laten betoveren door haar stemgeluid, bleef ik dat moment uitstellen tot de op een na laatste leerling zijn oninteressante zielenroerselen op rijm met de klas had gedeeld, een ware Tantaluskwelling. Eindelijk was het de beurt van de koningin van het universum. Roos stond voor de klas en voor het eerst bespeurde ik blosjes op haar doorgaans bleke wangen. Haar verlegen ogen durfden het papiertje in haar handen niet te verlaten en zacht klonk haar stem door het klaslokaal:

jij bent
voor mij
wel duizend keer jij

jouw lippen smaken
naar beloften
en zachte fluisteringen
die cirkels draaien
op mijn huid

jouw stem
is me liever
dan het geluid
van tien maangodinnen
dansend in donzig zand

in jouw ogen lees ik
honger
naar doorwaakt samenzijn
verstrengeld

heb geduld,
mijn liefste
heb geduld

Haar stem sterft weg en met tegenzin laat ze het papiertje zakken en kijkt timide de klas in. Een stilte is neergedaald op de klas en ik moet me zelf bedwingen om niet naar voren te lopen en haar in mijn armen te nemen. Snel plaats ik de lessenaar tussen mij en de klas en sommeer Roos met schorre stem om weer te gaan zitten. De leerlingen zet ik aan het werk met een begrijpend lezen tekst, zodat ik de rest van het lesuur wezenloos voor me uit kan staren.

De strijd is gestreden en het vlees is zwak gebleken. Mijn geest is geen enkele partij voor het hart dat bijna zichtbaar bonst onder mijn bedrieglijk onschuldige uiterlijk. Morgen komt er een eind aan het verlangen, want dan zal Roos moeten nablijven. Laat er geen misverstand over bestaan, want ik weet het waarachtig wel; door mijn liefde voor haar zal ik branden, voor eeuwig in de hel.



Ik dip mijn pen in rode inkt

Elke dag begin ik met een schone lei, loop ik naar het strandje vlak voor mijn bescheiden onderkomen, vouw het rieten matje uit en neem plaats met mijn gezicht naar de zee. Daarna sluit ik mijn ogen en laat het geluid van de golven op me inwerken. Het is deel van het ritueel. Als vanzelf voel ik hoe mijn geest zich ontspant en zich openstelt om de beelden te ontvangen. Ik mediteer niet in gedachten, maar in beelden. Alles komt als een film aan me voorbij, het hartverscheurende krijsen, die de haartjes op mijn bovenarm recht overeind zet, de verwrongen gezichten met de grote holle ogen die langzaam wegsmelten in een achtergrond van geelrood oplaaiende vlammen en de weerzinwekkende geur van grote brokken rottend vlees op de barbecue. Op mijn tong danst de zoete smaak van bloed, eerst subtiel, maar al snel vult mijn mond zich met de vloeibare, plakkerige substantie tot ik bijna stik en word gedwongen om het uit te spugen. In golven komt het naar buiten, vloeit naar de zee. Gal en bloed vechten om de dominantie, maar uiteindelijk kleurt het wateroppervlak donkerrood. In de verte klinkt een schreeuw: Josefien-fien-fien-fien. Elke echo weerkaatst zachter, maar onheilspellender tegen de rotswand. Mijn ogen springen open en dwalen rond. Het strandje omgeven door de steile rotswand is verlaten. Wat had ik dan verwacht? Het is mijn strand, mijn wereld en mijn stem. Zal het me ooit lukken om de beelden naast me neer te leggen?

Ik sta op, klop het zand uit mijn joggingbroek en begin te buigen en strekken, terwijl ik gulzig teugen lucht naar binnen hijs, alsof ik ternauwernood aan de verdrinkingsdood ben ontsnapt. Mijn razende hartslag kalmeert geleidelijk en uiteindelijk laat ik me uitgeput in het zand vallen, vlak naast de mat. Af en toe knabbelt het nieuwsgierige water aan mijn voeten om daarna vrijwel direct met een zuigende beweging weer weg te trekken. Het ritme van de zee kalmeert mijn zenuwen. De beelden schuiven langzaam naar de achtergrond. Gelukkig ben ik gezegend met een slecht geheugen, zodat de gruwelen van een meditatiesessie weer net zo snel verdwijnen als ze zijn opgekomen. Belangrijke dingen onthoud ik wel, zoals wat ik gisteren heb gegeten, zodat er variatie zit in mijn consumptiepatroon. Mijn menu wordt bepaald door de opbrengst uit de zee, mijn geit, drie kippen en een moestuintje. Meer smaken zijn er niet. Als de voorraden opraken vaar ik met de boot naar het dichtstbijzijnde dorp, Mortana, en sla daar alles in wat ik denk nodig te hebben. Ik heb geen enkel besef van tijd, weet dus niet hoe lang ik al in mijn paradijsje verblijf, maar op een bepaald moment in mijn leven heb ik besloten me terug te trekken uit de wereld om me toe te leggen op het schrijven. Hier is geen laptop, geen wifi en geen computer, enkel pen, papier en rode inkt.

Eenmaal achter de schrijftafel, zie ik onmiddellijk dat de inkt bijna op is. Natuurlijk, totaal vergeten! Om mezelf eraan te herinneren smeer ik een veeg inkt op mijn onderarm, als alternatief voor de knoop in de zakdoek. Straks met de boot naar Mortana. Hopelijk is de beschikbare inkt voldoende om mijn hoofdstuk af te schrijven. Als een waanzinnige ga ik aan het werk, de taferelen tuimelen door mijn hoofd en vinden hun weg naar de pen. Tot de laatste druppel inkt. De pen krast tenslotte alleen nog in het papier, laat onzichtbare gleuven achter, maar er verschijnen geen letters. Verbijsterd staar ik naar de lege pot en met een driftige handbeweging gooi ik de beker omver. De beelden in mijn hoofd lossen in rap tempo op en maken plaats voor een gapende leegte, een sabbelend vacuüm van nietszeggendheid, de staat die ik meer vrees dan wat ook ter wereld. Er is geen tijd te verliezen.

Rusteloos trek ik mijn boot los en voor ik het weet, dobber ik op de open zee. Mijn peddels glijden door het groenbruine water met een koortsachtige regelmaat. Bij elke afgelegde meter vervagen meer fragmenten tot stofdeeltjes die in mijn geheugen verdwalen. Mijn hart maakt een opgelucht sprongetje als ik het haventje van Mortana aan de horizon zie verschijnen. Nog even doorwerken, ik voel hoe het zweet langs mijn ruggengraat mijn broek in loopt. Blijven doorroeien en blijven denken, niet loslaten, tranen van frustratie lopen over mijn wangen en blijven even onderaan mijn kin hangen, voordat ze verdwijnen in het onbekende. Niet veel later meer ik even voorbij Mortana aan, in een inham door de struiken aan het zicht onttrokken. Mijn shirt is doorweekt alsof ik ben komen zwemmen.

De terugweg verloopt minder voorspoedig, want ik heb het tij tegen. Daar staat tegenover dat ik nu gezelschap heb. Mijn ogen glijden over de smalle gestalte die lui onderuitgezakt tegenover mij op de bodem van de boot ligt. Haar ogen zijn gesloten, maar toch doet ze me vaag denken aan Josefien, mijn oudere zus. Blonde krullen, kleine neus. Even flitst een herinnering door mijn hoofd: Josefien, mijn ouders en ik, vlak voor het ongeluk. Nog een kind was ik toen ik ze alle drie verloor in een auto-ongeluk. Ik denk er niet graag aan terug. Ik was de enige, die uit de auto wist te kruipen, voordat het karkas zich vulde met rode vloeistof en naar de bodem zakte. Ongeduldig schud ik de herinnering van me af, laat het terug glijden in de kelder van mijn geest en richt mijn aandacht op de slapende toeriste tegenover mij, 7 liter verse inkt.

Offline

Precies 7 uur gaat de bel. Man van de klok, denk ik tevreden, terwijl ik een haastige blik in de halspiegel werp. Keurig! Sportieve blouse met een zwierige rok. De blonde krullen heb ik opgestoken. Mijn hart geeft een extra roffel als ik de deur openzwaai. Op de stoep staat een enorme bos bloemen.

'Hallo?' Vanachter de bloemen komt een aardig gezicht tevoorschijn. Hij is gekleed in een vlotte broek en een overhemd waarvan de bovenste knoopjes loshangen. Over zijn arm hangt een zomerjasje. Een donkere lok valt over zijn voorhoofd. Hij is vooral groot, erg groot. Aantrekkelijk ook. Na een eerste ongemakkelijke aarzeling stapt hij naar voren en steekt zijn hand uit.
'Mark', stelt hij zich officieel voor. Een subtiele aftershave kriebelt mijn neus.

'Eva', antwoord ik automatisch, hopend dat ik op tijd mijn mond weer heb dichtgeklapt. Hij overhandigt me de bloemen en onder zijn jasje komt een fles wijn tevoorschijn. Kanonkop Pinotage. De man heeft stijl.
'Alsjeblieft, voor de gastvrouw!'
'Dank je wel', Verlegen neem ik alles in ontvangst.
Waar zijn mijn manieren?
'Eindelijk ontmoeten we elkaar. Kom binnen.' Met een uitnodigend gebaar stap ik opzij. Hij hangt zijn jas aan de kapstok en volgt me de woonkamer in.

Daar heb ik alvast een mandje stokbrood en verschillende sausjes op tafel gezet.
'Dat ziet er goed uit!' Zijn goedkeuring geeft me een warm gevoel. Ik leg de bloemen en de wijn op het bijzettafeltje en laat me in de roodleren tweezitter zakken. Mark gaat vlak naast me zitten en maakt het zich gemakkelijk. Hij pakt een stokbroodje, smeert één van de sausjes erop en biedt het aan mij aan. Ik neem een hapje. Als zijn bovenbeen het mijne raakt, sta ik snel op om wijn in te schenken.

Ondertussen neurie ik wat mee met de muziek. Leuke man, attent en aantrekkelijk. En toch voel ik me niet op mijn gemak. Eigenlijk begrijp ik niet waarom hij geen foto van zichzelf heeft gestuurd. Hij heeft toch niks te verbergen?

De bitterzoete wijn spoelt maar deels mijn onrust weg. Wat mankeert mij?
Online chatten is makkelijker. Ik zoek naar woorden.
'Kon je het goed vinden?' begin ik voorzichtig.
'Geen enkel probleem. Ik ben hier al eens eerder geweest', bekent hij. 'Niet hier natuurlijk, maar in de buurt. Iemand die ik heb leren kennen via internet. Het is niks geworden. Ze kreeg een auto-ongeluk en is aan de gevolgen overleden.' Er gaat een rilling door me heen.

Ik mompel iets over de ovenschotel en verdwijn naar de keuken. Misschien was het toch niet zo'n goed idee om hem thuis te ontvangen. Carolien had me al gewaarschuwd. Had ik maar geluisterd. Niet vergeten haar straks even te bellen. Voor de vorm prik ik met een vork in de ovenschotel, zie hoe mijn hand trilt.

Het weer is ondertussen omgeslagen. Door de donkere, dreigende wolken en de schemer baadt de keuken in een eigenaardig groen licht. Op het moment dat een bliksemflits de keuken oplicht zie ik Mark in de deuropening staan met de bloemen. Zijn imposante postuur vult vrijwel de hele deuropening. Ik schrik en slaak een gil, die zelfs in mijn eigen oren enigszins overdreven klinkt.

'Sorry, ik wilde je niet laten schrikken, maar zal ik ondertussen de bloemen in een vaas zetten?' Ik wijs hem waar de vazen liggen.

Het is harder gaan regenen.
'Ik ga even de ramen dichtdoen, anders wordt het dweilen.' Ik loop alle ramen langs en in de studeerkamer bel ik snel Carolien.
'En, hoe is ie? Is hij raar? Eng misschien?'
'Nou, eigenlijk is hij best knap en hoffelijk. Het lijkt een fatsoenlijke vent. Erg aardig ook,' fluister ik in mijn mobiel.
'Bofkont!' oordeelt Carolien. 'Dus dat wordt een romantisch avondje…'
Ik aarzel. 'Nou, dat weet ik nog niet, hoor. Er is iets… ik vertrouw hem niet. Hij wilde geen foto van zichzelf sturen en nu ik hem gezien heb, begrijp ik daar niks van. Hij is ook heel groot. Ik word er zenuwachtig van.'
Het blijft stil aan de andere kant. 'En een vorige romance van hem is in het water gevallen. De dame in kwestie is overleden…'
'Luguber', vond Carolien. 'Nou ja, jij vindt tegenwoordig alle mannen eng, maar ik dacht dat Mark misschien een keerpunt zou zijn, maar als je je niet op je gemak voelt, werk hem dan zo snel mogelijk het huis uit.'

Op dat moment gaat de klink van de studeerkamer langzaam naar beneden. Mijn adem stokt, ik stop direct met praten, terwijl mijn ogen de deur niet los laten. Piepend gaat de deur verder open en in de deuropening verschijnt een vaas met een reusachtige bos bloemen. Daarachter piept het gezicht van Mark tevoorschijn, een déjà vu.
'Oh, sorry, je bent aan het bellen. Waar zal ik ze neerzetten?'
'Zet maar op de salontafel.'
Dan wend ik me weer tot mijn mobiel: 'Ik bel je later nog. Dag mam!'
'Doe je wel voorzichtig!' hoor ik Caro nog fluisteren voor ik de verbinding verbreek.

'Het eten is klaar! Zullen we aan tafel gaan?' De eettafel is al gedekt; zilverkleurige placemats, bijpassende servetjes, wijnglazen en een kaarsje in het midden. Ik zet de ovenschotel op tafel, terwijl Mark de meegebrachte wijn ontkurkt. Gelukkig! Dan hoef ik niet zelf te klungelen met die fles. Nog even de salade en de komkommer. Mark schuift mijn stoel naar achter, zodat ik kan zitten.

Ik schep de Aardappel Anders op en de salade. Verwachtingsvol kijk ik naar hem als hij zijn eerste hap neemt.
'Mmmmm, lekker.' Mooi zo! Zelf prik ik wat afwezig in de salade. We praten over zijn werk en ik begin me zelfs een beetje te ontspannen. Hij hapt er goed in. Daar ben ik blij om. Ik ben niet zo'n keukenprinses en het was voor mij al een hele toer om zo'n ovenschotel in elkaar te flansen, zelfs met een kant-en-klaar recept.

Als het gesprek op Richard komt, kan ik niet voorkomen dat mijn ogen vochtig worden. Verdorie! Ik bijt op mijn lip om de tranen terug te dringen en proef bloed.
'De beste veertien jaar van mijn leven heb ik met hem gedeeld. Hij was fantastisch, grappig, aantrekkelijk en heel attent. Hij had me op een voetstuk gezet en ik genoot van alle aandacht. Van het ene op het andere moment veranderde dat allemaal. Op een middag kwam ik vroeger thuis, omdat ik me niet lekker voelde en trof Richard aan terwijl hij zijn koffer aan het pakken was. Hij had iemand anders ontmoet. Daarna was het "dag en tot ziens". En weg was hij. Zomaar. Ik zag het totaal niet aankomen. Die klootzak!'

Het verdriet is opeens weer zo tastbaar en blijft als een brok in mijn keel hangen. Ik kan niet meer verder praten. Ik slik en proef nog steeds bloed. Snel een slokje wijn. Troostend legt Mark zijn hand over de mijne, terwijl hij me vriendelijk aankijkt met zijn trouwe ogen, warm en comfortabel.
'Nou, ik ken Richard verder niet, maar hij was jouw liefde echt niet waard. Dat je daar na veertien jaar achter komt, is altijd nog beter dan nooit, beter dan laat… of nooit…. nooit.'
Zijn stem hapert. Zijn blik vertroebelt en zijn ogen zakken halfdicht. Even checken. Met mijn vork prik ik in zijn arm. De vork blijft rechtop in zijn arm staan. Bloed vloeit op de placemat. Zijn ogen vliegen open, verbaasde blik.
'Waarom…doe je….dat nou?' Hij kijkt naar zijn arm.
'Oh, ik wilde een komkommertje prikken, maar ik prikte er per ongeluk naast', verklaar ik rustig. Ik trek de vork uit zijn arm en het bloed stroomt langs zijn arm op de placemat. Handig die afwasbare plastic placemats. Dan zakt zijn hoofd op zijn borst. Ik kijk naar hem, zoals hij tegenover mij zit, scheef onderuitgezakt op zijn stoel, terwijl ik rustig mijn salade eet. Dat duurde nog lang, maar ja, het is ook een grote man, groter dan ik had verwacht. Alles is goed gegaan. De spanning valt nu pas van me af. Ik voel me rustig worden. Even wachten en dan aan het werk.

Even later ben ik druk in de weer met plastic tassen en pendel ik tussen eettafel en diepvries. Een vleugje van zijn aftershave hangt nog in de kamer. Straks even een raam open zetten. Ik heb vaker met dit bijltje gehakt. Peter was de eerste. Daarna Hugo. Dat ging al een stuk soepeler. En nu Mark. Al die mannen, eerst vriendelijk en charmant, zodat je alle voorzichtigheid laat varen en gaat investeren in een serieuze relatie. Ik vertrouw ze niet meer. Vooral de aardige exemplaren, want ik weet nu precies hoe het afloopt. Na verloop van tijd ontmoeten ze een andere vrouw waar ze hun charme op botvieren. En dan, na vier, negen of veertien jaar verlaten ze je. En je blijft eenzaam achter. Dat is nu voorbij. Voor mezelf, voor mijn vriendinnen en voor alle andere vrouwen doe ik dit. Het voelt als een missie.

Dat wordt overwerken deze week. Geen probleem, ik hou van mijn werk. Door mijn werk heb ik een doel gekregen in mijn leven en overwerk neem ik op de koop toe. Nooit vertel ik iemand over mijn werk op het crematorium. Dat vinden mensen maar ongemakkelijk, dus zeg ik vaak gewoon dat ik secretaresse ben.

Als alles is opgeruimd, neem ik plaats achter de computer. Eens kijken wie er online is vanavond…