columns

A writer is somebody
for whom writing is more difficult
than it is for other people.
(Thomas Mann, Essays of Three Decades, 1947)
Lang leve superstretch

Nooit was het echt leuk om te shoppen voor kleding om benen, billen, dijen en toebehoren te bedekken met geschikt textiel. Onvermijdelijk werd ik in de piepkleine paskamer overvallen door een instant depressie wanneer de spiegel mijn dijen reflecteerde onder de genadeloze tl-verlichting. Steevast ging dit gepaard met een tijdelijk verlies van mijn verstandelijke vermogens, resulterend in de planning van een rigoureus hongerdieet, dat zich tot ver in de toekomst zou uitstrekken. Keer op keer leidde een confrontatie met die dijen tot vluchtgedrag: zo snel mogelijk een broek scoren, betalen en de winkel uit met en passant de belofte aan mezelf om de volgende aanschaf van beenbedekking zo lang mogelijk uit te stellen. Ook het achteraf vertroetelen van het diep aangetaste ego in de vorm van een kop koffie met iets lekkers, dat vanzelfsprekend rechtstreeks de weg naar mijn dijen zou vinden, maakte deel uit van het ritueel. Op deze manier kon ik menig shoppingronde zonder al te veel psychische schade doorstaan.

Tussen ons gezegd en gezwegen en in de overtuiging dat een dergelijk intiem detail tussen ons blijft, want als je je lezer niet kunt vertrouwen, wie dan wel; ik draag maat 44. Ik reken op discretie.

Toen mijn laatste twee spijkerbroeken met een zucht de strijd hadden opgegeven, wist ik dat weer zover was. Dus ondernam ik op een doodgewone zaterdag, mentaal tot de tanden toe gewapend, de tocht naar de kledinghel. Het was een van die warme nazomerdagen, dus het zweet parelde al op mijn voorhoofd toen ik me alleen nog maar met enkele exemplaren had teruggetrokken in een pashokje. Allereerst was het natuurlijk zaak om uit te vinden wat precies het equivalent was van maat 44, want de moderne kledingzaak werkt allang niet meer met die ouderwetse maten. Twee cijfers, ergens in de dertig, stonden in de broekband. Daar moest ik het mee doen.

Toen ik de eerste broek voor mijn blote benen hield, zonk de moed al in mijn sokken, maar natuurlijk liet ik me niet uit het veld slaan door zo'n stom stuk textiel, dus dapper stak ik mijn voeten erin en trok de broek langs mijn benen omhoog. Als een slangenhuid omhulde het textiel mijn enkels en kuiten en bleef vervolgens steken bij de knieën. Aan de bovenkant stak een opvallend label uit met daarop de term superstretch. Het klonk als een godswonder. 'Dat zullen we nog wel eens zien,' dacht ik terwijl de broek onverschrokken de uitdaging aanging met mijn vormen. Centimeter voor centimeter huid werd overwonnen door het blauw. En boven aangekomen ging de broek zelfs dicht. Vol verwondering bekeek ik mezelf. Hij zit, en frappanter, hij staat. Daadwerkelijk! Ik draag een skinny. Wie had gedacht dat skinny en ik ooit samen in één zin zouden passen? Lang leve superstretch!


Schuttingtaal

Wanneer is er sprake van taalverruwing? Dat lijkt enigszins af te hangen van de context waarin bepaalde taal wordt gebezigd. In de kroeg zal niemand er aanstoot aan nemen als een van de aanwezigen zich terugtrekt om de 'piepers af te gieten', maar tijdens een managementoverleg zullen de wenkbrauwen bij exact dezelfde woorden toch even omhoog gaan.

En wat voor de een ordinaire straattaal is, vindt een ander heel gewoon. Het is maar net hoe gevoelig je schuttingtaalmeter is afgesteld.

Zelf ben ik opgegroeid in een gezin, waar vulgair taalgebruik niet op prijs werd gesteld. Zodra ik me in de pubertijd enigszins grof uitdrukte, kreeg ik een mentale tik op de vingers, want 'een meisje hoort dat soort taal niet uit te slaan'. Overbodig misschien om te vermelden dat mijn schuttingtaalvocabulaire enigszins is achtergebleven bij de huidige norm. Sterker nog, ik weet niet eens wat lomp taalgebruik is. Tot gisteren. Toen wist ik het ineens, want schuttingtaal, dat zijn de woorden die spontaan in je opkomen als je ontdekt dat iemand met een paarse stift poppetjes heeft getekend op jouw pas gezette schutting.


De mama-monologen

Het valt me steeds weer op, de dovemansoren, waartegen ik doorgaans praat. Niet dat ik me daardoor uit het veld laat slaan. Dapper ploeg ik door in de veronderstelling dat zelfs een puberbrein een verbinding heeft naar die schelpen aan elke kant van het dierbare hoofd. Mijn bloedjes laten de spraakwaterval gelaten over zich heenkomen en zorgen er vooral nergens uit te laten blijken dat de boodschap aankomt. Wat hun betreft kan ik net zo goed Chinees spreken. En nadat ik mijn uitgebreide en vaak ongecensureerde mening over de gebogen hoofden heb laten neerdalen, wacht ik verwachtingsvol en met kloppend hart of de uitgesproken woorden ook enig effect sorteren. Vaak is het de bedoeling dat het kroost hierna in actie komt. En ik wacht en ik wacht. Als ik dan geen opvallende veranderingen in lichaamshouding waarneem, begin ik vaak opnieuw met het riedeltje om het nageslacht aan te zetten tot activiteit, tevergeefs natuurlijk. Het verbale getrek en geduw heeft zero effect. Misschien dat de boodschap na de zoveelste keer wel uitgeput is aangekomen in het centrum vlak onder de schedel, maar de uitvoering is weer een heel ander verhaal. Armen en benen dienen dan te worden aangestuurd in een ingewikkeld proces, dat bovendien wordt belemmerd door hormonen die lukraak blokkades opwerpen, waarna de tiener het al snel opgeeft. Dan liever mama's toorn trotseren. De keuze blijkt niet moeilijk.

Zo is het gebruikelijk om kleren te laten slingeren waar ze zijn uitgetrokken. Ook de gebruikte sportkleren, die met een welhaast onmenselijke krachtinspanning uit de sporttas zijn getrokken, redden het niet helemaal tot de wasmand en blijven halverwege de huiskamer steken op een stoel, zodat het aroma van de pubertranspiratie vrij spel heeft. Natuurlijk staat het deze welwillende mama vrij om de bundel onwelriekendheid te verwijderen uit de directe leefomgeving, maar zo leren ze het nooit. En dus verdraag ik lijdzaam de zweetlucht en wacht tot de kinderen weer thuiskomen om ze met een verse mama-monoloog om de oren te slaan. Opvoeden is waarlijk geen sinecure voor de zintuigen.

De slaapkamer, waar de tiener menig uurtje skypend, smsend, whatsappend, whatpaddend en instagrammend doorbrengt vertoont sterke gelijkenissen met een zwijnenstal. Reeds gedragen en schoon wasgoed ligt in slordige stapels verspreid over het volledige puberdomein. Een en ander gelardeerd met rondslingerende onderbroeken, sokken, schoolboeken, huiswerk, haarborstels, plastic en papiertjes, die de prullenbak net niet hebben gehaald. De ouderlijke preken richten zich dus ook regelmatig op de kuising van dit stofnest.
Nou schijnen de puberhersens nog geen affiniteit te hebben met orde en netheid, waardoor onze tieners er ook niks aan kunnen doen. Pas vanaf hun twintigste wordt dit centrum geactiveerd in de hersenen. In tienerogen is er dus geen sprake van troep.

Helaas is de oma van mijn nageslacht ook nooit te beroerd om een boekje open te doen over haar dochter in de puberteit en hoe dat pubernest er destijds uitzag. En als oma dan het lef had om iets op te ruimen, kreeg ze de wind van voren, want dochterlief had geen tomtom nodig in de chaos, maar zodra er sprake was van orde, raakte de hormonaal gestuurde geest totaal van slag. Wanorde regeerde dus ook mijn wereld. Natuurlijk, we zijn allemaal jong geweest.

Opvallend is de aandacht die mijn kroost weet op te brengen als oma spannende verhalen vertelt uit deze periode. De cirkel is rond, dus mijn tijd komt nog. Met die gedachte troost ik me dan maar.
De rand van de beschaving

'Wat lopen er toch asociale mensen rond op de wereld. Werkelijk! Is er dan niemand meer met fatsoen in zijn donder, niemand die nog rekening houdt met een ander? Sommige mensen weten echt niet hoe het hoort', denkt hij vaak bij zichzelf.

De opmars van de hufterigheid is een feit. Het laatste station van de civilisatie is inmiddels gepasseerd en er zijn al geluiden dat we over het hoogtepunt heen zijn en hard op de terugweg naar de wereld van de Neanderthaler. Kijk maar eens goed om je heen. Sommige exemplaren lijken amper deel te hebben genomen aan de evolutie.

In een rap tempo zijn we aan het individualiseren. Iedereen is bezig met zichzelf. Het grote voordeel is dat je lekker je eigen gang kunt gaan; geen haan die ernaar kraait, op voorwaarde uiteraard dat je je medemens niet naar het leven staat en zonder reden neerslaat. In dat geval zullen de meeste mensen toch wel in actie komen? Op z'n minst zal men dan toch wel de benen nemen om te ontkomen aan een soortgelijk lot, of niet soms?

Overal trekken mensen van jong tot oud zich terug in hun eigen wereld met een koptelefoon op het hoofd, doof voor de buitenwereld, alleen met zichzelf, zelfs midden op straat of in een drukke menigte. En dan heb je nog de giga-asocialen die zelfs niet de beleefdheid kunnen opbrengen om een koptelefoon te gebruiken en iedereen tegen wil en dank laten meegenieten van hun muziek. Hij moet er niks van hebben.

Asociaal is de nieuwe norm. Niemand is veilig, niemand ontkomt eraan. Allemaal worden we meegesleept in de vaart der volkeren en wellicht maken we ons ook wel eens schuldig aan dit gedrag. Zelf behoort hij tot de selecte groep die nog dapper weerstand biedt, een man van principes, die geen goed woord over heeft voor lomp gedrag.

Zo is hij blij dat hij tegenwoordig eersteklas reist. In de trein is dat toch de laatste veste van de beschaving, waar de rust in de coupé weldadig als een geciviliseerde deken over de geprivilegieerde reizigers neerdaalt. Hij herinnert zich nog maar al te goed de tweedeklas. In de spits is het ronduit oorlog, pure 'survival of the fittest'. Nietsontziende reizigers werpen zich in de strijd om de zitplaats. Zodra de trein stil staat barst het los. Passagiers krijgen door de dringende mensenmassa amper de gelegenheid om uit te stappen. Ellebogen, tassen, schoenmaat 48 en felle, boze blikken; geen wapen wordt geschuwd. Dat is nu allemaal verleden tijd. Voor hem geen ellebogen meer in de zij, gevechten op leven en dood om de laatst beschikbare zitplaats of tassen op stoelen om te voorkomen dat, god betere, iemand plaats neemt naast je.

Laatst zat hij weer in de trein, eersteklas nota bene. Daar verwacht je het al helemaal niet, dat onaangepaste gedrag. Zelf was hij rustig op zijn mobiele telefoon een nieuw spelletje aan het spelen, bemoeide zich verder met niemand. Na een drukke dag had hij behoefte aan een beetje stoom afblazen om bij te komen van zijn werkzaamheden. En wat denk je, iemand had brutaalweg de muziek aanstaan. Waar kwam dat geluid toch vandaan? Wie had de euvele moed om de aangename, peperdure rust in de eersteklas coupé te verstoren?

Steeds keek hij geërgerd op. Ook zijn medereizigers keken verstoord. Vragende blikken kruisten elkaar. Toen de orderverstoorder, waarop de collectieve afkeur vrijelijk zou kunnen worden botgevierd, uiteindelijk niet definitief kon worden vastgesteld, trok iedereen zich hoofdschuddend en enigszins teleurgesteld weer terug in zijn eigen wereld. De irritatie bleef als een hardnekkige wolk boven de coupé hangen. De hele weg kon hij meegenieten van de muziekkeuze van zijn medepassagier. Op zijn bestemming aangekomen deed hij zijn spelletje uit. Onmiddellijk volgde een oorverdovende stilte. De muziek was gestopt. Zonder verder nog iemand aan te kijken verliet hij snel de trein.

De Dag van de Aardbei

'Het is de Dag van de Aardbei,' zei Pien op een zondag. 'Goh, da's ook toevallig,' dacht ik direct. Laat ik nou net de dag ervoor drie dozen aardbeien hebben gescoord op de markt. 'Drie dozen voor vijf euro,' hoorde ik toen ik langsliep. Straks, op de terugweg, beloofde ik mezelf, terwijl ik mijn weg vervolgde. Anders liep ik maar te zeulen met die aardbeien. Zou de marktkoopman met zijn verkoopinstinct door mijn poker-face heen hebben geprikt?

'Drie dozen voor vier euro,' hoorde ik op de terugweg. Geduld wordt soms beloond. Tot mijn genoegen zag ik dat de marktkoopman mijn doosjes met zorg uitzocht. De beste aardbeien kreeg ik mee, dat rook ik meteen. Tegenwoordig ga ik niet meer alleen op het uiterlijk af van aardbeien, die allemaal even obsceen liggen te pronken in een doosje met hun vlezigrode lijfjes en groene bloempotkapseltjes. De lekkerste koninkjes van de zomer kies ik met de neus. Als een volzoete geur door de openingen van het doosje al een tintelende sensatie op mijn tong teweegbrengt, zonder dat ik mijn neuspunt door de gaatjes hoef te steken, weet ik dat ik goed zit. Zelden word ik hierin teleurgesteld.

Het was echter 1 mei, de Dag van de Arbeid, niet de Dag van de Aardbei. Wist ik toch. Gewoon verkeerd verstaan. Jammer. Eigenlijk vind ik een Dag van de Aardbei veel leuker.


Mag het iets meer zijn?

'Mag het ietsje meer zijn?'
'Hè? ...Wat?'
Even let je niet op en hoppa, vijf kilo erbij. Kennelijk waren mijn embryo-oren nog niet helemaal ontwikkeld. Ik kwam ter wereld als een baby van acht kilo. Mijn moeder moest al vanaf de vierde maand van de zwangerschap plat en uiteindelijk hebben ze haar bevrijd met een keizersnee na acht maanden zwangerschap. Ze noemden me Klaartje.

Die kleine aarzeling bij de vraag 'Mag het iets meer zijn?' heeft de rest van mijn leven bepaald. Nooit was ik schattig en vertederend zoals andere kinderen, altijd een klein michelinvrouwtje, overigens wel buitengewoon goed geïsoleerd; ik had het nooit koud, maar die vijf extra kilo's, die heb ik nooit kwijt kunnen raken.

Wel heb ik er een bepaalde agressie aan overgehouden. Dit openbaarde zich toen ik voor het eerst alleen naar de winkel was gestuurd door mijn moeder voor boodschappen. Een jaar of negen was ik toen. Toen het meisje van de slagerij quasi-vriendelijk vroeg: 'Mag het iets meer zijn?' kwam alle frustratie in één keer boven.
'Nee!' De kreet verscheurde in één klap de rust in de slagerij. Gesprekken verstomden, wenkbrauwen verdwenen zowat naar het achterhoofd en monden vielen open. Het meisje van de slagerij kleurde gevoelig.
'Niks daarvan', draafde ik nietsontziend door 'Een beetje meer, dat dacht ik toch niet, hè. Eet die extra plakjes boterhamworst zelf maar op.' Van de weeromstuit stak het meisje de extra plakjes in haar mond. Ik griste vervolgens de spullen van de toonbank, betaalde en liep snel de winkel uit, nog nagloeiend van verontwaardiging. Nooit heb ik meer een voet gezet in die slagerij.

Ik groeide op, veilig binnen mijn isolatiemateriaal. Het extra gewicht viel vooral op toen ik klein was, maar ik ben als het ware in die kilo's gegroeid. Ik ben ze nooit helemaal kwijtgeraakt, tenminste nooit voor lang. Ze hebben zich aan me gehecht, voelen zich enorm thuis bij mij. Er is een periode geweest dat ik verwoede pogingen deed om de ballast af te schudden. Zo heb ik een tijdlang elke dag hardgelopen. Tijdens deze sessies schudden de kilo's met me mee, vrolijk meedeinend op het ritme, maar ze piekerden er niet over om me te verlaten, misschien mede dankzij het feit dat mijn eetlust gelijke tred hield met mijn sportwoede.

Af en toe heb ik me aan een dieet gewaagd. Mijn eerste dieet was het brooddieet. Dat is een dag lang alleen brood eten afgewisseld met een dag gewoon eten. Vanwege de saaiheid van dit dieet heb ik hier maar een brood-met-kaasdieet van gemaakt. Met boter natuurlijk en een glaasje chocomel. Anders is het niet te eten.
Daarna volgde een leven lang fit, eigenlijk een dag lang of beter, een lange dag. Ik kan me niet meer herinneren of ik me nou bijzonder fit heb gevoeld die dag. Alleen dat die dag maar niet voorbij wilde gaan. Op die manier krijg je inderdaad de indruk dat je leven heel lang duurt.
Montignaccen, Bakkeren, Dr. Franken en South Beach (waarbij ik zelf vooral een vrolijke strandassociatie had, die tot uitdrukking kwam in gezellige barbecues en uitbundige strandfeesten) ik heb het allemaal geprobeerd. En de hardnekkige kilo's bleven me gezelschap houden, alle vijf.

Wat me nog het meeste stoort, is misschien wel de schaamte die me overvalt als ik me voor moet stellen aan iemand: ik ben Klaartje. Dan zie ik meteen die blikken van 'Nou, laat dat 'tje' maar rustig achterwege, hoor.' Bizar, hoe je eigen naam je kan bespotten. Daar valt toch niet zoveel aan te doen, vrees ik.

Negenendertig jaar van frustratie heeft zich inmiddels in me opgehoopt, negenendertig jaar van hopen, willen, proberen, maar ik besef dat ik eigenlijk nooit heb geprobeerd te accepteren. Morgen word ik veertig. Dat stemt hoopvol. Ze zeggen immers dat het leven begint bij veertig. Ik weet natuurlijk niet of het waar is wat ze zeggen, maar vanaf morgen wordt alles anders. Vanaf morgen leg ik me neer bij vijf kilo meer. Dan is het niet meer Klaartje, want vanaf morgen ben ik Klaar.




Vloeibaar Rome

We zitten op een camping. slechts vijftien minuten van Rome verwijderd. Zo dichtbij en toch ook zo ver weg. De stad met een schat aan bezienswaardigheden ligt op een steenworp afstand voor iemand die een beetje kan gooien, maar door de temperatuur van 36 graden, niet meer dan één graad onder onze lichaamstemperatuur, is het aanzienlijk minder aantrekkelijk om ons in die kookpot te begeven. Het zwembad met de aangrenzende ijssalon klinkt een stuk prettiger. Toch besluiten we om in elk geval één dag van onze vakantie te spenderen aan een bezoek aan de Italiaanse hoofdstad. En zo gingen we vroeg op pad om de hitte voor te zijn. Vroeg is in dit geval half 11 in de ochtend, want ja, we zijn per slot van rekening met vakantie en dan duurt het wel even voor alle gezinsleden in staat van paraatheid zijn des morgens. De illusie dat we de hitte voor waren ging om die reden dan ook direct in rook op. Daar stonden we dan samen met al die andere dappere campinggasten te smelten bij de bushalte, onze ogen hoopvol gericht op de niet aflatende stroom auto's richting Rome. Zoals alles in Italiē liet ook de bus op zich wachten, maar gelukkig zagen we het hoge gevaarte aankomen voordat we waren getransformeerd in plasjes wanhoop.

Zonder morren vervulde de bus verder zijn functie en bracht ons naar metrostation EUR Fermi, waar we de metro namen naar Circo Massimo. Het openbaar vervoer was comfortabel genoeg, maar dan komt toch dat moment dat je los wordt gelaten in de wereldstad, die gretig zijn broeierige tentakels naar je uitstrekt. Terwijl mijn ogen worden getrakteerd op de opgravingen van het forum, lijkt mijn lichaam te vervloeien met de warme lucht die de stad over me uitspuugt. IJverig slaan al mijn zweetklieren aan de slag en in minder dan geen tijd lijkt het of ik uiteindelijk toch de keuze heb gemaakt voor het zwembad, met dat verschil dat in plaats van het koele water mijn lichaam wordt omgeven door de hete lucht die als een verstikkend hete brij om me heen hangt. Ik krijg de neiging om de borstcrawl in te zetten, ware het niet dat deze inspanning me echt teveel is. In deze omstandigheden gaat het lichaam automatisch in de overlevingsstand. Vol verbazing kijk ik naar de drommen mensen om me heen, die zich uitstekend lijken te redden. Hoe warm moet het in vredesnaam zijn voor het gewone leven stil valt? Stel ik me gewoon aan en zit het tussen mijn oren dat mijn voltallige poriën alle hands aan dek geven en als bezetenen water beginnen te lozen? When in Rome, do als the Romans do, herinner ik me. Nou is er met deze temperatuur vanzelfsprekend geen enkele Roman te bekennen; slechts toeristen bevolken de stad, dus ik zal er een slag naar moeten slaan wat de Romans zouden doen. Ik gok dat ze op de camping waren gebleven.

Mijn bewegingsapparaat gaat op de laagste stand; mijn benen brengen me van schaduw naar schaduw en zo begeven we ons naar het Collosseum, dat gedeeltelijk in de steigers staat. Het deel dat al is gerenoveerd is een weinig subtiele pleister op een eeuwenoud bouwwerk. Ik hoop niet dat het monument overal op dezelfde manier wordt gerestaureerd, want dit gaat ten koste van de authenticiteit van het indrukwekkende gebouw. Rond het Colosseum krioelt het van de toeristen, waarvan vooral het Aziatische deel zich onder parasols voortbeweegt. Straatverkopers bestoken de toeristen met flesjes water, waaiers, parasolletjes en selfiesticks en om de honderd meter struikel je over een bedelaar of bedelares, die zich in een onmogelijke houding op de grond heeft geworpen, in een poging tot overleving een bekertje omhoog houdend, waar de meelevende voorbijganger zijn muntjes in kan gooien.

We schaduwhoppen van het Collosseum naar een terrasje voor een korte lunch, waarna we de weg vervolgen naar het Pantheon, dat ook vanuit de koele binnenkant te bezichtigen is. Deze kans laten we ons niet ontnemen. Naast de beelden en schilderijen aan de wand valt vooral de ronde koepel op, die als een overtuigende imitatiezon de binnenzijde van het pand verlicht. Hoewel de gevel bestaat uit een aantal strakke, metershoge pilaren, is het gebouw van binnen verrassend rond.

Slenterend door de meest schaduwrijke straatjes van Rome, komen we bij een fonteintje, dat niet de naam Trevi draagt, maar wel het heerlijkste koele water. Rondom de fontein doet iedereen zich tegoed aan het ijskoude, heldere water, een oase in de woestijn. Petjes worden natgemaakt en ter verkoeling op het sissende hoofd geplaatst, sommige hoofden verdwijnen volledig in het koele water en komen kletsnat weer boven. Er wordt gespetterd en gelachen. Hier wil ik blijven, maar natuurlijk doen we dat niet. We zijn immers hardcore toeristen. Enigszins opgefrist trekken we weer Rome in en belanden bij de Trevi fontein. Eigenlijk wisten we het al; de Trevi wordt gerestaureerd. Toch was het een teleurstelling toen we de afgeschermde en deels in plastic gehulde beroemde fontein zagen. En geen druppel water te bekennen. Op dat moment was de Trevi fontein misschien wel het droogste deel van Rome. Na deze afknapper besloten we alleen nog even een bezoek te brengen aan de Spaanse trappen. Zodra we de fontein ontdekten aan de voeten van de beroemde trappen roffelden onze voeten in een halsbrekend tempo langs de treden om zo snel mogelijk de fontein te bereiken, de laatste oase voordat we de reis terug naar de camping aanvingen.

De metro zat wel vol, dachten we, opeengepakt als sardientjes in een blikje, maar tot onze verbazing bleven de mensen op het perron niet beleefd staan wachten op de volgende metro, maar namen de reizigers, met name Italianen, een flinke aanloop en doken de opeengepakte menigte in. En wonder boven wonder bleek er toen toch plaats te zijn voor een kleine door transpiratie glibberige Italiaan. Snel even een mental note gemaakt voor de keren dat ik in Nederland poog om met een overvolle trein mee te rijden. Niet denken dat er geen ruimte meer is, maar gewoon op de massa inspringen en je zult zien dat er dan toch plek is. Zo doe je dat! When in Rome, do as the Romans do. Zou het ook werken in Nederland? In gedachten zie ik de onvermurwbare Nederlandse ruggen, die ontmoedigend in de deuropening van de trein staan. Misschien toch eens proberen.

De terugtocht was niet minder warm en zweterig dan de rest van de dag, maar verliep toch soepeler, waarschijnlijk door de gedachte aan het koele zwemwater later op de camping. Vakantie!





Koffie, krantje, croissantje

Een ochtend, zoals Nederland maar weinig kent. De lucht ademt de belofte van een zomerse dag, maar voelt nog ochtendfris aan. In de verte zoeven auto's over het lauwe wegdek. Geluiden lijken altijd verder te dragen door de warme lucht.

Ze loopt in een vlot tempo door de binnenstad, die langzaam wakker wordt. Overal worden terrasjes opgebouwd, extra stoelen en tafeltjes neergezet. Ze geniet van de sfeer, de friswarme ochtendlucht, het geroezemoes en de binnenstad die op dat moment het decor vormen van haar leven. Als ze een hoek omgaat, voelt ze hoe een plotselinge rukwind speelt met haar zomerjurk. Het terras midden op het plein is al helemaal opgebouwd en ligt geduldig op bezoekers te wachten in de schaduw. Slechts een klein driehoekje vangt al wat zon. Ze blijft abrupt staan, loert naar dat ene tafeltje. Een verlangen welt in haar op om deel te worden van de omgeving, op te gaan in het decor. Ze loopt door, blijft weer aarzelend staan.

Dan zetten haar voeten koers naar het zonnige tafeltje, schopt ze haar hoge hakken uit voor ze plaatsneemt in het rieten stoeltje en leunt haar kantoortas tegen een tafelpoot. Niemand heeft haar aanwezigheid nog opgemerkt. Stil zit ze te genieten. Haar huid wordt vloeibaar goud in de verlegen ochtendzon.

Een ringtone verstoort ruw de stilte. Ze pakt haar mobiel uit haar tas en zet het geluid uit zonder op de display te kijken. Laat de plicht maar roepen. Ze is nu even doof. Ze lacht zachtjes om haar burgerlijke ongehoorzaamheid. Misschien dat ze straks een sms'je stuurt naar kantoor: BEN WAT LATER. TOT ZO!, maar nu eerst een kopje koffie, krantje en croissantje.

De snorrenparade

Stel, u bent een man, of een overgeëmancipeerde vrouw, daar wil ik vanaf zijn, die overweegt een passende bedekking van het blotebillengezicht aan te meten. Waarschijnlijk heeft u om die reden in alle onschuld deze snorrenparade aangeklikt. De winter staat immers voor de deur en als koning winter zijn ijzige deken eenmaal over ons heeft heen geworpen, kun je maar beter voorbereid zijn.

Tegen u zou ik willen zeggen: wees een kerel! Bang voor een beetje kou? Of is er een andere reden dat u erop staat uw gezicht te ontsieren met overtollige haargroei? In dat geval zou u beter kunnen overwegen om uw borstelige wenkbrauwen welig te laten tieren. Met een beetje geluk kunt u met deze simpele aanpassing al een bepaalde mate van waanzin uitstralen, die in de komende maanden de meeste vrouwen wel op afstand zal houden.

Want welke andere reden kan er zijn om gezichtshaar te cultiveren? Bij mij rijst dan al snel het vermoeden dat u met uw exceptionele aantrekkingskracht met moeite de hysterische vrouwen van uw lijf af kunt houden en aangezien u ook wel eens rustig wil winkelen, naar de bioscoop of met vrienden iets wil drinken in een café zonder te worden lastig gevallen, acht u de tijd rijp voor barre maatregelen. Een snor dus.

Brad Pitt

Neem bijvoorbeeld Brad Pitt. Toch een man die wereldwijd een ongelooflijke aantrekkingskracht uitoefent op vrouwen om voor mij onbegrijpelijke redenen. Deze vermeende attractiviteit van het icoon wekt bij mij voornamelijk verwondering. Voordat ik nu gelyncht ga worden door duizenden woedende Mr. Pitt-fans, wil ik ter verdediging aanvoeren dat smaken nu eenmaal verschillen en wat mij betreft is de bekoring van de man precies nul. Dat wil zeggen, in zijn gewone staat. Als hij zich verstopt in gezichtsbeharing daalt de score met duizelingwekkende kracht ver beneden het nulpunt. En zeg nu eerlijk, dames, u bent het toch met me eens dat zo'n frisgeschoren Brad veel aangenamer is om naar te kijken dan de oerwoudversie. Of slaat uw hart nog net zo snel bij die laatste aanblik? Die waar-heb-ik-mijn-scheerapparaat-ook-weer-gelaten look is toch echt geen gezicht, zelfs niet bij Brad. Laat dit een waarschuwing zijn voor andere mensen met snode plannen voor het gezicht.

Gegeven de eigenwijsheid van de gemiddelde man neemt u allicht geen genoegen met de hierboven gegeven suggestie van ongebreidelde wenkbrauwen en wilt u direct doelbewust doorstoten naar de opzettelijke ontsiering van uw gelaat door overtollige haargroei. Even een discrete vraag tussendoor, die een snor nog zou kunnen rechtvaardigen: Heeft u wellicht een bovenlip, die (hoe zal ik dat zo tactvol mogelijk uitdrukken?) zo godvergeten weerzinwekkend is dat om het even welke snor al een flinke verbetering oplevert? In dat geval valt u in de categorie 'afzichtelijke bovenlippen' en heb ik nog wel een aantal verrassende snorvoorstellen voor u in petto. In alle andere gevallen is er geen enkel excuus, ik herhaal dus, geen enkel excuus, om over te gaan tot het aanmeten van een snor.

U moet natuurlijk doen wat u niet laten kunt en barre tijden vragen om dito maatregelen, maar toch wil ik er in dit stadium alvast voor pleiten dat u geen overhaaste acties onderneemt en alvast uw scheergerei te koop aanbiedt op marktplaats.

De meeste vrouwen geven de voorkeur aan een gladgeschoren man of eventueel een licht bestoppeld exemplaar. Let wel, niet elke man met een stoppelgezicht heeft dezelfde mate van sexappeal, dus u zou eerst even voorzichtig moeten testen in hoeverre u kans maakt in deze categorie te vallen. Deze dracht is slechts voor enkele mannen weggelegd en geeft bij een geschikte man een licht rauwe indruk van mannelijkheid. Echter, als u de stoppels te lang laat worden, en dit is echt millimeterwerk, gaat het totale effect verloren en kan de indruk die u achterlaat bij de vrouwtjes zomaar doorslaan naar een ongeëvolueerde Neandertaler, waar de meeste vrouwen de fijne neusjes voor optrekken. Het luistert nauw.

Nou zijn we dus aangekomen bij het deel waarvoor u bent gekomen, want wat schrijft de mode van de gezichtsbeharing deze winter voor? Nou, daar kan ik kort over zijn, want snorren zijn nooit aan een modebeeld onderhevig, dus het maakt in wezen niet uit welke snor u op uw gezicht wil slingeren. Ik heb drie basisexemplaren die ik hieronder wat uitgebreider zal bespreken. Het gaat dan om de Hitlersnor, de krulsnor en de hangsnor. Alle andere snorren zijn slechts variaties op deze thema's.

De Hitlersnor

Met deze snor is het uitkijken geblazen, vooral in combinatie met een heel kort donker bloempotkapsel, waarbij de haren tegen de schedel geplakt lijken te zijn en een bepaalde manier van lopen die niet zou misstaan op het Ministery of Silly Walks zou uw verschijning agressieve reacties teweeg kunnen brengen. Ik waarschuw maar even. Hoewel ook Charlie Chaplin zich van dit model bediende kan ik ter verdediging aanvoeren dat de komiek een opgeplakt exemplaar op zijn gezicht had. Daarnaast was het imago hiervan nog niet aangetast door de drager die een bepalende rol speelde in de Tweede Wereldoorlog. Een gedurfd model dus.

Uiteraard kan ik nog uitweiden over de borstelsnor, eigenlijk een uitgebreidere versie van de Hitlersnor, maar zeer praktisch bij allerhande huishoudelijke werkzaamheden. Even een vlekje wegwerken is met deze snor geen punt meer. Een aanrader voor de praktische man.

De krulsnor

Dit pruikje tussen neus en lippen vergt veel verzorging van de drager. Het verdient aanbeveling om u dat eerst goed te realiseren vooraleer u overgaat tot het dragen van dit model. Hoewel het er moeiteloos uitziet, zullen de punten van de snor niet vanzelf in deze stand gaan staan. Veel bezitters ziet u dan ook de hele dag draaien aan de punten om het model dat er 's nachts met krulspelden is in gezet in stand te houden. 's Ochtends even spuiten met wat haarlak en u bent de hele dag het heertje, tenminste als een regenbui uw goede voorbereidingen niet tenietdoet. Als uw keuze desalniettemin is gevallen op dit exemplaar, wil ik nog even benadrukken dat deze snor een enigszins ijdele impressie achterlaat.

De hangsnor

Deze laatste categorie is tevens de minst bewerkelijke. Het credo is eigenlijk, laat maar groeien en als vanzelf omsluit deze snor de mond. Een kleine waarschuwing is hier wel op zijn plaats, want als er daadwerkelijk sprake is van ongecontroleerde wildgroei, zullen er regelmatig etensresten of andere voorwerpen verdwijnen in dit struikgewas. De drager dient zich terdege te realiseren dat het gevaar van uithongering dan wel uitdroging niet denkbeeldig is als de meeste voeding wordt opgeslurpt door de hangsnor. Op deze kleine kanttekening na is het een zorgeloze snor, die verder zonder problemen gedragen kan worden.

Nou, hierbij zijn we dan aan het einde gekomen van de snorrenparade. Ik hoop dat ik u een beetje op weg heb kunnen helpen, tenminste als ik u in een eerder stadium niet heb kunnen overhalen om deze plannen overboord te gooien. In beide gevallen wens ik u een comfortabele winter.


De uiterlijke kenmerken van een crimineel

Ken je deze gezichten?
Het zijn achtereenvolgens Anders Behring Breivik, Josef Fritzl, Adolf Hitler en Wolfgang Priklopil, zomaar een verzameling mensen die door hun barbaars gedrag in het nieuws waren.

Anders Behring Breivik
Hij is de hoofdverdachte van de aanslagen in Noorwegen op 22 juli 2011. Hij pleegde een bomaanslag op een regeringsgebouw in Oslo, waarbij zeven mensen omkwamen en begon vervolgens op het eiland UtØya in het wilde weg te schieten tijdens een zomerkamp voor sociaaldemocratische jongeren. Tientallen mensen zijn die dag om het leven gebracht.
Ironisch genoeg bekende Breivik maanden later in de rechtszaal dat hij zijn slachtoffers uitkoos op uiterlijk. Wie er Marxistisch uitzag, kon rekenen op een kogel.

Uiterlijk gezien lijkt het een redelijk normale man. Opvallend zijn de diepliggende ogen en de hoge haargrens.

Josef Fritzl
Deze man werd bekend vanwege een incestzaak. Hij had zijn eigen dochter vanaf haar achttiende tot haar tweeënveertigste levensjaar opgesloten in een kelder onder zijn huis. Uit het misbruik werden zeven kinderen geboren. Opvallend aan zijn gezicht zijn de duivelse wenkbrauwen en de ijskoude ogen.

Adolf Hitler
Wie kent hem niet? Deze dictator veranderde Duitsland van een beginnende democratie in een totalitaire staat, waarbij geen tegenstand werd geduld. Zijn expansiepolitiek leidde tot de Tweede Wereldoorlog, zijn nazi-ideologie is verantwoordelijk voor de systematische uitroeiing van grote groepen Joden, gehandicapten en andere minderheden. Uiteindelijk heeft deze man zeventien miljoen mensen op zijn inktzwarte geweten.

Zijn gezicht kenmerkt zich door het stijve kapsel en de karikaturale, halve snor. Zijn ogen kijken vijandig de wereld in.

Wolfgang Priklopil
Wie is dat ook weer? Deze man heeft Natascha Kampusch op tienjarige leeftijd ontvoerd en vervolgens acht jaar lang opgesloten in een raamloze kelder onder de garage naast zijn huis.

Hij heeft een opvallend brede kaaklijn en zijn ogen stralen wantrouwen uit. Dit lijkt te kloppen met de beschrijving die Natascha gaf van haar ontvoerder. Zij beschreef hem als extreem paranoia.

Het uiterlijk van criminelen

Bovenstaand willekeurig gekozen gezelschap vertoont geen in het oog springende overeenkomsten, geen grote gemene deler, waarmee de tekenen van criminele aanleg kunnen worden vastgesteld.

Achteraf is het wellicht makkelijk praten. Als je eenmaal weet wat deze heren op hun kerfstok hebben, meen je misschien iets crimineels te ontwaren in hun voorkomen, maar is dat ook werkelijk zo? Hebben misdadigers eigenlijk niet een gewoon gezicht, zoals jij en ik? Hoe vaak hoor je een buurvrouw niet verkondigen dat het altijd zo'n aardige, hulpvaardige man was. In het dagelijkse leven is vaak niets dat erop wijst dat de misdadiger bepaalde neigingen heeft. Zo'n schurk kan jarenlang zijn gang gaan, zonder dat zijn omgeving iets doorheeft.

De vraag dringt zich op: zou het niet gemakkelijk zijn als we een potentiële delinquent direct kunnen onderscheiden door zijn uiterlijk? Dan zouden we bepaalde individuen alvast preventief kunnen opsluiten. Lekker makkelijk!

Bestaat een crimineel uiterlijk?

Advertentie
Mannen 25-60 jr. gezocht met crimineel uiterlijk
Voor een commercial zoeken we mannen tussen de 25 en 60 jaar met een crimineel uiterlijk. (stoer, ruig, gevaarlijk, tattoo's etc.)

Kennelijk bestaat een crimineel uiterlijk, afgaande op deze advertentie, die ik anno 2012 ben tegengekomen op internet. Daarnaast liep ik tegen het volgende onderzoek aan:

Onderzoek: Mensen zien aan gezicht of iemand crimineel is
(Bron: www.waarmaarraar.nl)


Een opvallend onderzoek toont aan dat wij mensen in staat zijn om aan het gezicht van iemand te zien of het een crimineel betreft of niet. De onderzoekers maakten foto's van mannen tussen de 20 en 29. De heren hadden allemaal dezelfde gezichtsuitdrukking en waren voor een witte achtergrond gefotografeerd. De helft van de mannen had wel eens het criminele pad bewandeld. Deze mannen waren één keer veroordeeld, hadden weinig gezichtshaar en kort haar. Ze zagen er dus niet onverzorgd uit. De helft van deze mannen had een gewelddadig delict op naam staan (bijvoorbeeld moord of verkrachting). De andere helft had zich schuldig gemaakt aan een overtreding zonder geweld (bijvoorbeeld diefstal of het dealen van drugs). De proefpersonen kregen de foto's te zien en moesten op een schaal van één tot zeven aangeven hoe groot ze de kans achtten dat de heren een misdaad hadden gepleegd. Als ze dachten dat een man een crimineel was, moesten ze aangeven waarvan ze hem verdachten: een gewelddadige overtreding of een misdaad zonder geweld. De proefpersonen bleken het relatief vaak bij het juiste eind te hebben. Zo gaven ze bij foto's van criminelen ook significant vaker aan dat het waarschijnlijk een crimineel was dan bij de foto's van mannen die geen crimineel waren. De proefpersonen konden geen onderscheid maken tussen een gewelddadige crimineel en een dief. Vrouwen bleken bovendien meer moeite te hebben om verkrachters te identificeren dan mannen. Waarschijnlijk verklaart dat waarom verkrachters succes hebben. Ze doen zich voor als ongevaarlijk om met een vrouw in contact te komen.

Ik heb niet kunnen achterhalen of dit een onderzoek van Diederik Stapel betrof, maar ook dit onderzoek lijkt het bestaan van criminele gelaatskenmerken te erkennen. Iemand anders die heilig geloofde in het bestaan van een crimineel voorkomen was Lombroso.

Lombroso

Hoe buitensporig het ook klinkt, in de negentiende eeuw was er een Italiaanse criminoloog, Lombroso (1835 – 1909) die ervan uitging dat een geboren crimineel wel degelijk bestond. Lombroso wilde aantonen dat criminaliteit erfelijk bepaald is en vastgelegd in uiterlijke kenmerken. Hiervoor deed hij onderzoek onder duizenden gevangenen. Volgens zijn theorie zouden mensen weinig crimineel gedrag vertonen als ze voldoende geëvolueerd waren, maar waren lieden die ernstige misdaden begingen bepaalde eigenschappen nog niet kwijtgeraakt en in zijn optiek daarom gedegenereerd in plaats van geëvolueerd. De psychische eigenschappen van deze personen, de neiging tot misdaad, de morele afstomping en de wispelturigheid, gingen volgens Lombroso hand in hand met bepaalde fysieke gelaatstrekken.

Wat zegt het uiterlijk over het innerlijk?

In de fysiognomie, ofwel gelaatkunde, probeert men kennis over iemands persoonlijkheid te destilleren door bestudering van de gelaatstrekken. Zo bestaat het beeld dat mooie mensen een beter karakter hebben dan de wat minder bedeelde medemens. Hoewel velen dit fanatiek zullen bestrijden, wordt dit principe ook tegenwoordig nog toegepast in de filmwereld; waar het uiterlijk van de held immers vaak een stuk appetijtelijker is dan dat van de schurk. Ook in een boek als 'The picture of Dorian Gray' van Oscar Wilde, is Dorian Gray slechts straffeloos in staat om zijn misdaden te verrichten, omdat de schade van zijn immoreel gedrag niet zichtbaar op zijn eigen gezicht te lezen valt, maar op een schilderij, dat van hem is gemaakt. Hierdoor vinden omstanders het moeilijk te geloven dat Dorian in staat is tot gruwelijke daden en heeft hij in feite carte blanche. Kennelijk bestaat er, ook tegenwoordig nog, de indruk dat het karakter daadwerkelijk aan iemands uiterlijk valt af te lezen.

Hoe kunnen we de criminele inslag signaleren? Lombroso identificeerde de volgende fysieke, atavistische kenmerken: brede kaken, diepliggende ogen, hoge jukbeenderen, vaak doorlopende wenkbrauwen, een asymmetrisch gezicht, een haviksneus, vlezige lippen en afwijkende oren.

Zo'n extreme stellingname creëerde natuurlijk veel tegenstanders. Bestrijders van Lombroso's visie waren eerder geneigd om de samenleving aan te wijzen als voedingsbodem voor criminaliteit, hetgeen neerkomt op het standpunt dat elke samenleving de misdaad heeft die zij verdient. Naar aanleiding van de stortregen aan kritiek die Lombroso over zich heen kreeg, heeft hij uiteindelijk zijn standpunt bijgesteld tot 'criminaliteit is het resultaat van biologische en sociale factoren'.

Uiterlijk en gedrag

Ook vandaag de dag geloven we niet echt dat misdadigers aan hun uiterlijk te herkennen zijn. Zelfs als er al zoiets zou bestaan als een uiterlijk dat geassocieerd wordt met strafbare activiteiten, dan nog zou de bezitter van deze gelaatstrekken zich niet per definitie hoeven inlaten met crimineel gedrag. Andersom zijn ook mensen zonder Lombroso's stigmatiserende kenmerken, of wat mogelijk verder verstaan wordt onder een crimineel uiterlijk, in staat gebleken tot het plegen van misdrijven. Er valt dus eigenlijk geen peil op te trekken. Een brave conclusie. Allemaal naar huis.

Hoewel, is het laatste woord hiermee gezegd? Eigenlijk niet. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid durf ik te beweren dat er wel degelijk uiterlijke kenmerken bestaan,waaraan we een crimineel direct kunnen herkennen. Hiermee doel ik overigens niet op de kenmerken die Lombroso zo hulpvaardig aandroeg, maar meer op bepaalde kenmerken die feilloos een schurk aanwijzen. Zo'n doorslaggevend karakteristiek is bijvoorbeeld het balkje voor de ogen. Als we dat zien, weten we onmiddellijk: 'Dat is geen lekkere jongen!'

Dit balkje wordt echter pas geplaatst als de misdaad reeds gepleegd is, waarna de afschuw en de collectieve, publieke verontwaardiging naar believen over het hoofd van de schurk kunnen worden uitgestort.

Ook zijn er soms signalen vooraf. Een dergelijke indicatie zou kunnen zijn dat we een of meerdere individuen met een nylon kous over het hoofd een bankgebouw zien betreden. Dit uiterlijke kenmerk, de kous, gedragen op een niet zo voor de hand liggende plaats als het hoofd, zou kunnen duiden op een bepaalde intentie bij de drager. Als deze persoon zich dan ook nog in de buurt van een bank bevindt, zou je tot de slotsom kunnen komen dat je je bankzaken liever even uitstelt tot een geschikter moment. Een gewaarschuwd mens telt immers voor twee.